Enorrrmously important.

Waarin …

De dure dienstauto zoemde als een poes, hoe snel ie ook vooruit flitste. Hij schoot nog altijd door de tunnel die de posttoren verbond met het Brosselse snelwegennet, en die was kilometers lang, dus er was vooralsnog niks te merken van een file. De auto was bij wijze van eerbetoon aan het belangrijke piefen die hij altijd moest vervoeren extreem opgerekt en deftig ingericht als een salon met bar, SR, humidor, en een klein fietsje voor als iemand vanvoren in de auto naar achteren wou om zich bijvoorbeeld te bedienen in de ijskast. Er liep een rode loper van goede kwaliteit ook van voren naar achteren met rondom een bank. De wagen was gelukkig lang genoeg voor dertig sorteerders links en rechts op die bank. Waar was de rest van de honderd die enthoesiast achter meneer Mulch de sorteerzaal uitgestroomd waren? Wel ja, verdwenen. Hoe lang ook, de auto had ze niet kunnen slikken, en de eerste dertig die er toch in geraakt waren, maakten er zich geen zorgen om. Ze neurieden met de ellebogen in elkaar gehaakt en zwaaiden heen en weer op de maat van hun lied. Onder ons: ook al hadden ze het volume teruggeschroefd, ze hadden véel te weinig cachet voor dit soort wagen, maar meneer Mulch had er geen last van. Hij was overgeschakeld naar een volgende scheikundige faze en lag helemaal vanachter met z’n mond open tegen Al aan een uiltje te vangen.

Al en Frank hadden geluk gehad. De slee was zo lang dat de chauffeur nog altijd moeizaam uit z’n parkeervak aan het draaien was toen Al en Frank eraan kwamen rennen.

‘Can we come along too, goys?’

De chauffeur was het soort dat zich inbeeldt zelf de baas te zijn en hij wou nee zeggen, maar de dertig sorteerders riepen vrolijk: ‘Get in!’ en Al en Frank lekker mee.

Net doken ze de tunnel uit het verkeer in en de wagen kreeg een schok. Hij schommelde wild en vertraagde als een schip dat vanop een werf het water in ploft, maar ze bleven redelijk vooruitkomen, al was de wagen drie-vier keer breder dan de gemiddelde sloicer.

Sloicers knalden er links en rechts opzij tegen aan en tegen elkaar terwijl de slee

218.

 

dankzij z’n flanken vol rubberen rolletjes ongedeerd door de massa kliefde en alom eromheen werd woedend gebaard en geroepen, maar daar hoorde je binnen fijn niks van.

mr-mulchs-limo-oi-frame-70-percent.jpgEn toen ging de telefoon. Zo’n deftige zware zwarte die echt rinkelde. Net naast meneer Mulch. De hoorn sidderde. Oei. De dertig sorteerders vielen stil. Maar de telefoon bleef rinkelen. Hij gìng in elk geval. Hij zat allicht op het elitekanaal. Ten langen leste nam de chauffeur achter z’n beschot een andere bescheiden telefoon op. ‘Phone Mr Mulch.’

Meneer Mulch bleef genoeglijk liggen snurken.

‘Phone Mr Mulch.’

Meneer Mulch sliep verder. Niemand anders durfde opnemen en na een tijd hield het gerinkel van de elitetelefoon op. De slee ging met de verkeersstroom mee de hoogte in en de sorteerders vergaten te zingen van cocks in the box, aangedaan als ze waren van het majestatische panorama. Duizenden stralenkransen flikkerden om duizenden reuze-modellen van eerste klas merkproducten op de duizenden wolkenkrabbers. Duizenden rookpluimen zwaaiden langzaam met de wind mee vanboven en duizenden passanten hadden het druk met wemelen in de diepte. Hierboven, ver van de malende menigten, werd het nu rustiger. Je zag minder klein grut met beperkt motorvermogen, maar éen ding bleef trouw meevliegen als een loodsvisje.

‘Hey, whot’s that?’

219.

 

Complete stilte. De sorteerders studeerden de meevlieger met aandacht.’No prodoct sopport, is it?’

Nee. Geen Gelderse Worst voor sociale klasse E-F. Een gedistingeerd kalend hoofd met das dat alsmaar roder werd.

‘Wotch out, it’s angry!’

Juist, er kwam er iets metaligs uit, en beng!, een straal trof door het vensterglas heen meneer Mulch.

‘Ow!’

Hij was zo wakker, wreef zich de ogen uit, zag het hoofd, glimlachte, duwde op een knopje en het raampje zoefde open.

‘Mr Bax!’

‘Mr Mulch!’

‘Jack Bax the Max!’

Meneer Bax van Total Spin (xlvi) dus. Echt sympathiek. Z’n linker slaap waar het metaal uit was gefloept was alweer dicht. Jack wist dat meneer Mulch naar Fillford vloog. En dat met honden aan de macht alles pico bello liep in de wereld. Hij hoopte hevig dat meneer Mulch dat ook wist. En dat z’n spanningsregulatorpraatje zo zou draaien.

De dertig sorteerders keken naar meneer Mulch. En hij voelde ze kijken. Hij zag er nu veel minder trefzeker uit dan net toen ie meneer Fred goed op z’n plaats zette. Hij was in honderd jaar tijd zelf van assistent-sorteerder opgeklommen tot voorzitter en voelde dus best wel wat voor de jongens die zo goed Cocks in the Box zongen. Hij was trouwens soms een idealist, zeker als het niet te vermoeiend was en mooie scenes opbracht. Maar hij had ook veel vrienden elders. Hoe kun je ooit voorzitter worden en blijven zonder vrienden? Ah! Hij ging geit en kool dus sparen.

‘Well,’ zei ie.

‘Well,’ riep Frank, ‘we’s better off with no dogs on top, and we’s gonna kick their

220.

 

bottocks, isn’t we, Mr Mulch?”Yeah yeah yeah!’

De slee van meneer Mulch zinderde plotseling van instemming met Frank en de dertig sorteerders haalden diep adem en zetten krachtig in.

‘Whot lasses loikes most

Is boys from the post,’

zongen ze, en zo verder. Er was jammer genoeg geen redelijk gesprek met enige diepgang meer mogelijk tussen meneer Bax en meneer Mulch. Meneer Mulch deed ook niet veel moeite meer om boven het gezang uit te komen.

Meneer Bax had een gepijnigde blik.

‘This is gonna torn ogly, Moike. Moike, does you hear me? Moike?’

Maar meneer Mulch (soms was ie echt gemeen, maar kun je echt carrière maken als je dat niet bent?) deed nu op de koop toe of ie in slaap was gevallen. Met z’n mond royaal open. Daar was ie goed in. Het was zeer natuurgetrouw.

‘Fock you,’ zei meneer Bax korzelig, ‘have a good die.’

En plop, weg was ie. Maar ploep, er was al een ander hoofd. Het had een volmaakt gebit, waarmee het aantrekkelijk lachte.

‘Mr Mulch!’

Meneer Mulch deed z’n ogen weer open.

‘Tony! Tony the Pony!’ Tony van Super Law Factory.

‘Moike!’

‘Tony Tiddles!’

‘Moike Mock!’

Ze kenden elkaar op dat niveau alweer persoonlijk en Tony constateerde met pijn dat Moike aanzette tot extreme maatschappelijke wanorde, waar ie toch altijd een groot voorstander van orde was geweest.

221.

 

‘Is this really you, Moike?”No. No. It’s – the march of history.’

Het klonk goed, meneer Mulch zei het altijd op belangrijke momenten in z’n carrière als ie niet wist wat zeggen en Tony was van de wijs. Waar sloeg het ook op? Na een lange stilte waarin ie er niet op kwam, zei ie met tegenzin ‘Good point.’

‘Yeah.’

‘Nonetheless Oy must koindly bot sternly warn you we intends to start legal action aginest you.’

Wettelijke actie? De sorteerders gromden. Ze waren meer voor informele afspraken maar Tony had voor hetere vuren gestaan.

‘Legal action,’ zei ie dreigend, ‘for legal eliminition.’

Legal eliminition? Wat was dàt? Geen sorteerder die het wist, maar Tony en meneer Mulch staarden elkaar aan, oogbal tegen oogbal, alsof het biezonder erg was. Meneer Mulch roerde niet. Of liever, hij beefde niet meer dan gebruikelijk. Dit was het bikkelharde spel op de rand van de afgrond. Hij had er niet echt veel zin in, hij sliep liever, en als dat niet kon, knutselde hij liever aan een compromis, maar hij kon nu maar beter meedoen. Er was toch geen weg meer terug en met dertig grommende postbodes als publiek kon ie de rol van grote voorvechter van de post maar beter zo goed mogelijk spelen.

‘Eliminition?’ riep Frank, ‘whot does you mean, man?’

Tony keek nu Frank aan, oogbal tegen oogbal.

‘You’s gonna foind out.’

‘Bised on whot law?’ vroeg Al.

‘Aw, we’s still formuliting the law, bot it’s gonna be effective before you reaches Fillford. See you in hell, goys. ‘ Klak! En Tony zwaaide in een grote bocht weg van de limo. In de slee keek iedereen bedrukt, behalve meneer Mulch. Hij was na z’n oogbalduel

222.

 

met Tony van de inspanningen weer in een diepe welverdiende slaap gevallen en lag met z’n bek open tegen Al aan.

‘How about another singsong?’ zei iemand.

‘How about knocking your head off?’ zei Frank.

Ook daar had niemand zin in. En de auto was veel te benauwd. De heren vonden dat ze elkaar in de weg lagen en hier en daar ontstond licht handgemeen. Gelukkig floepte de spanningsregulator vanzelf aan. Dat gebeurde alleen als er wat machtig belangrijkss op til was en onze vrienden draaiden gretig naar het scherm want er was al zwaar gehijg te horen. Een Loive Break-In! Omar die nog altijd op het punt stond zich al dan niet van kant te maken moest zeker wijken voor nog wat fascinerenders!

‘A Special for Real Men’, zei een stem in smoking, ‘from Super Bill’s Super Drills!’ en daar baande de camera zich een weg tussen kapotte huisraad, ingestorte flats, geplette sloicers, pyramides gruis, asfalt in vlammen, te lang gegrillde losse ledematen in saus en nog grotendeels hele maar evengoed morsdode mans- en vrouwspersonen die slordig door het geheel heen geschikt lagen. Dit was een slagveld! En daar was Omar! Hij dus toch. Heftig hijgend. Het stelde de heren sorteerders teleur dat hij niet met Angela de liefde aan het bedrijven was maar een slagveld was ook leuk. Omar moest rennen als een gek maar hij leek even zeer in z’n schik als in bed en in Angela en hij verzekerde de kijkers dat een slagveld prima spanningsregulator was, ook al kon je niks zien: het beeld was verward en zwiepte, en alles rookte en explodeerde.

‘Street foights,’ zei iemand in de dienstauto deskundig.

‘Where is this, Omar?’ zei iemand anders.

‘Brossels City,’ zei Omar al rennend , ‘and boy the why, our canoine friends has now tiken over not jost Brossels City bot the whole Brossels empoire, which brings os to a noice convenient new partnership between man and his best friend. Ow!’

Hij viel uit beeld. Honden in te grote camouflagebroeken doken op uit de rook met schiettuig. Er was er een tegen Omar aangelopen, Omar die weer met z’n grote neus vooruit in beeld klauterde, stof van z’n ellebogen klopte en z’n microfoon omhoog stak.

223.

 

‘Gentlemen, whot’s the score?’Ze hadden het te druk met mikken op vluchtende schimmen. Boem. Boem. Boem.

‘You sees,’ zei Omar tussen de boems door, ‘we’s mopping op the last bad goys.’

‘Hey!’ riep Frank, ‘Omar, is that postmen?’

‘Postmen? No.’

‘Isn’t they shooting postmen?’

‘No. No.’

Maar er waren duidelijk blauwe uniformen te zien. Al zag zelfs brieven dwarrelen. Hoewel. Dankzij Franks deskundige aanpak van de electronica had het hoofdkwartier de acties van het postleger nog niet echt kunnen coördineren. Wat zagen ze nu dan? Ach, waarschijnlijk een spontane schermutseling tussen vanzelfsprekende vijanden. De eeuwige strijd tussen hond en postbode. Er ontstond onrust in de wagen.

‘Holy pony, Omar, they is! They is shooting them!’

‘No! No, don’t coll them postmen. They’s casualties of a deplorable past, whoile we’s the magnificent future. Goys, Oy’s had sotch a fantastic experience! Hoping, living, eating, sleeping and shitting with our friends. Oy’s been dog with the dogs. Oy’s been so close Oy’s sure as hell they’s gonna win this gime. So no doubt one of you’s gonna hit the jackpot and scoop ten million Bolls.’

Bazuinen en in beeldvullende cijfers schoof de som 10.000.000 over puin, rook en afgerukte ledematen en begon aanlokkelijk te flikkeren.

‘So who,’ zei Omar, ‘is gonna win? A. the World Canoine Council? Or B. the remnants of the past? Phone your forecast to the nomber on your screen and win ten million Bolls! You can ply NOW!’

Een batterij telefoons sprong uit de stofjassen in de auto.

‘Bot does our phones work agine?’ zei Frank.

‘Of course they does!’ zei Omar, ‘except for the ones belonging to, haha, noxious

224.

 

elements. Foive hondred Bolls per coll. Ply NOW! A or B?’

‘A!’ riep ma geestdriftig in het salon.

‘A?’ vroeg Omar.

‘A!’

‘Roight! Better be quick, ma, and ply now!’

‘As soon as Oy foinds our phone and credit card.’ Ma rommelde koortsig in haar handtas. ‘Pa? Pa! Pa! The proize is ten million!’

Pa keek in de keuken met éen oog naar de spanningsregulator boven het fornuis, en met het andere naar het schermpje op de ouwe koelkast. De Koelkast bestelde automatisch via het internet bij wat je opgegeten had en je kon ze desnoods gebruiken als terminal. Namen van banken zoefden voorbij. Hij drukte en éen bank ging open. Hij drukte weer en keek eensklaps aan tegen een gepast aantrekkelijk vrouwmens.

‘Is you listening?’ riep ma.

‘Loans whot mikes you smoile,’ zei mevrouw fris.

‘Is you listening, doffard? The bedroom wonts new woll piper. Oy needs a nose. We must win them millions! Where’s the phone?’

Ja waar?

‘And moy credit card?’

Ach. Stond toch geen krediet meer op. Wat pa wist, was dat ie dankzij een Instant Lening bij Super Duper zeker duizend keer antwoord A naar het nummer op het scherm ging seinen via de koelkast. Man, forceer je geluk! En leve die honden!

In de dienstauto klonk het getik van duimen op zaktelefoons en het gekreun van dertig postmedewerkers. Ze seinden verwoed zo veel mogelijk antwoorden A naar het nummer in beeld, voor de tijd op was. Af en toe gluurden ze naar meneer Mulch, maar de ouwe lul sliep onverstoorbaar door. Al voelde zich treurig. Niet alleen omdat al deze postbodes plechtig beloofd hadden nooit een telefoon te gebruiken of

225.

 

omdat ze zaten in te zetten op hun eigen ondergang, maar omdat ie zo hulpeloos in de greep zat van een oneindige overmacht en hij alleen wist het. Miljarden zaten in hetzelfde bootje, wisten de ballen van hun situatie en hij kon ze het zelfs niet aan hun verstand brengen. Wat moest ie? Ook liever van niks weten? Gaan liggen en een uiltje vangen zoals de voorzitter? Of woedend worden en al deze lamzakken een blauw oog slaan? Maar tegen dertig forse jongens die nooit deodorant gebruikten kon ie niet op. Hij leed – en dan herinnerde hij zich iemand die beter rook. Die hem kon doen vergeten dat de wereld om zeep ging.

Hij voelde, en ja er zat een telefoon in z’n broekzak.

Hoe lang geleden had ie haar nog zien glimlachen? Het mocht dan uit zijn tussen Gerrie en hem, hij moést haar bellen! In de wagen werd het met een klap donker omdat hij en de school sloicers er omheen met een elegante zwaai een tunnel indoken. Al haalde diep adem, drukte haar nummer en wachtte. Minuten gingen voorbij. Hij wachtte vol ongeduld. Dat is ook altijd weer het probleem in tunnels: werkt je telefoon er wel? Nou, die van de collega’s dus wel! Of stond Al op de lijst van geblokkeerde lastposten? Nee, want plotsklaps had ie toch contact. Maar niemand zei iets aan de andere kant. Al was duidelijk bij Gerrie. Hij kon haar wandklok horen tikken en haar honderd theelichtjes voelen trillen en hij was al diep gepakt.

‘Gerrie?’

‘Uh?’ zei meneer Mulch.

‘Gérrie!’

‘Oh.’ Meneer Mulch sloot z’n ogen weer.

Stilte die uren duurde, maar hij durfde niet afbreken. Dan hoorde hij gemorrel.

‘Gerrie? Gerrie?’

‘No. Keekee.’

Al sloot vlug af.

‘No!’ riep de chauffeur.

226.

 

Hij was een erg ordentelijk mens, en wat ie voorzag dat er ging gebeuren, beviel hem helemaal niet. Voor hem dook een versperring op in de tunnel, hij remde uit alle macht en achter hem sloegen alle sorteerders met hun telefoons tegen het beschot. De limo knalde al vonken sproeiend tegen de wand en stond stil. Erachter klonk woedend getoeter op, maar het stopte ook weer abrupt. Alsof de toeteraars bang werden.

Het was nu aardedonker in de wagen maar er zwaaide al een portier open, licht viel naar binnen en de over elkaar gevallen jammerende postbodes staarden tegen twee paar laarzen aan. Twee grote grijze hazewinden keken streng naar binnen.

‘Has we won?’ vroeg éen van de sorteerders.

‘You has,’ zei de ene hazewind zo onheilspellend dat er niemand durfde juichen. Hij vestigde z’n blik op de voorzitter.

‘Chairman Mulch?’

Meneer Mulch lag nog altijd te pitten, maar Al knikte in zijn plaats.

‘And Al?’

Al knikte.

‘You’s onder arrest.’

De hazewind zwaaide en vier kaki schnautzers drongen naar binnen, grepen Al en de voorzitter in de oksels en sleurden ze tussen de verward mompelende sorteerders door de wagen uit en langs de wand van de tunnel en door een reeks roestige deurtjes en beschimmelde noodtrappen omhoog tot in de open lucht.

Hoge tegen de wind leunende bomen. Herenhuizen. Een lucht vol roet. Ver weg glom nog een stukje koepel van Old Glass Dick. Meer escortes voerden mensen weg. Twee dames met permanent en parelsnoer droegen plastic zakken vol boodschappen tegen de stroom in. Ja, als je tegen de middag soep moet maken en je hebt niks in huis, moet je wel de straat op. Sommige weggevoerden keken van ‘astublief geen dramatiek, doen of dit normaal is’, maar de meesten leken hélemaal geen zin te hebben om in de richting te lopen die ze liepen en Al hoorde gedempte knallen verderop. Hij rook kruit. Hij zag dat de voorzitter nu een andere kant uitgeleid werd.

227.

 

‘Mr Mulch!’

Maar meneer Mulch liep nog altijd slapend voort. Hier en daar stonden grimmige honden met wapens. Als benen wilden minder en minder mee. Z’n escorte stond stil. Al keek vragend maar de schnautzers ontweken z’n blik en pozeerden hem tegen een gevel.

Er zaten gaten in de gevel. Er leunde een schop tegen. Het trottoir knarste. Er lag een hoop zand. Het was deels gebruikt om een boel vervelend dik donker vocht te stelpen. Het vocht kleefde vervelend aan je voeten. Het zat overal. Op de muur. Op het raam boven hem. Op de bomen voor hem. Bloed?

‘Stand here,’ zei de hazewind.

‘Whot’s op?’

‘Jost stand here.’

‘No, you tell me! Whot’s happening? Is this legal?’

‘SHOT OP AND STAND HERE!’

Zijn escorte marsjeerde weg. En daar stond ie. En wat verder frunnikte een peloton vale honden met wapens of ze zich klaar aan ’t maken waren voor een uiterst smerig bevel. Ze hadden hun blik op Al.

Hij ging flauw vallen. Z’n hart deed raar. Het sprong tot in z’n keel. Hij ging stikken. Maar dan hoorde hij roepen.

‘Al!’

Het peloton honden keek om.

‘Al! Is that you?’

Een hond in een regenjas en met een pijp in z’n bek kwam met een joviale glimlach naar hem toe slenteren. Al dacht niet dat ie hem al kende, maar wat kon hem dat nu schelen. De regenjas stopte bij de groep met wapens, maakte een gebaar en en de groep zette z’n wapens tegen een boom. Al haalde opgelucht adem. De hond fluisterde de sergeant boxer bij het peloton wat in het oor. De boxer knikte. De regenjas draaide

228.

 

en keek over z’n pijp naar Al.

‘Al! How’s loife?’

Al keek z’n redder aan.

‘Does we know one another?’

De hond in de regenjas grijnsde, legde z’n poot medeplichtig op Als arm en langzaam kuierden ze weg van deze plek des onheils. Al had er geen bezwaar tegen. Het ging hem zelfs wat langzaam. Als het van hem afging, renden ze, maar z’n knieën knikten nog. En z’n onderbroek was doornat, maar hij kon huilen van geluk.

‘Thanks, man!’ zei ie toen ze de hoek waren omgedraaid.

‘Oh don’t mention it.’

‘No. Really really thanks a lot!’

‘Oll roight oll roight.’

‘Bot does Oy know you?’

‘Of course you does. Oy’s Georges!’

‘Georges?’

‘With an S. Colonel Georges. Ondercover, of course.’

Kolonel Georges concentreerde zich op z’n pijp en er kwamen wolkjes uit z’n neusgaten. De straat rook nu lekker naar karamel. Kwaliteitspijptabak.

‘Of course Oy knows you, Al. Quoite well, as a matter of fact, and Oy loikes you a lot. You’s earnest. Doinamic. An oidealist. An asset for any organoisition.’

Al keek hem verrast aan en kolonel Georges genoot.

‘Moy brother,’ zei ie vanachter z’n poot, ‘works at the post office.’

‘Your brother?’ Al herinnerde zich niemand in het postkantoor van Whammle die op

229.

 

kolonel Georges leek.’Jean-Jacques.’

‘A postman?’

‘No. The mascot. The dog onder the tible.’

‘Oh. Jean-Jacques? Jean-Jacques!’ De posthond, die altijd zo stom keek.

‘Ondercover too of course. Oy can tell you now. You loikes him?’

‘Eh. Yeah. Who wouldn’t?’

‘Yeah. Who wouldn’t. Diplomatic talent. Extremely gifted. Loike me. And since we’s tocking about talent,’ Georges stond stil, trok, pop, z’n pijp uit z’n bek, en keek Al recht in de ogen, ‘how did you loike Meess Beetch?’

‘Meess Beetch?’

Al wist van geen Meess Beetch. Kolonel Georges keek hem mild aan alsof ie wel beter wist. ‘Oy asked her to be most koind to you. Was she?’

‘When?’

De kolonel lachte. ‘Very good!’ zei ie.

‘And who is she?’

‘Another colleague from the CIA.’

‘The CIA?’

‘The Canoine Informition Agency.’

‘Oh. Whoy should she be most koind to me?’

‘Because you’s enorrrmously important to us, Al.’

‘Ah. Whoy?’

‘Because, moy dear friend, and don’t let’s plie no gimes nomore now, you’s becoming

230.

 

a serious threat to the canoine world’s plans.’

‘Is oy?’

‘You is, Al. You was the first one in the BU to set op an anti-dog action. The first one to foind out that we modern dogs can tock. You immediately got to the top of the Post Office organoisition and quickly converted it into a nearly efficient body to counter the Canoine World’s plans. You’s got a natural talent to convince humans, especially femiles.’

‘Femiles?’

‘Yes.’

Ah! Kolonel Georges hield Al voor Bing.

‘So we’d better remine friends, Al. And Meess Beetch is so extremely good at miking good friends, that we asked her to treat you well.’

Al moest er hardop van lachen, en Georges keek nu of ie ook maar schertste, maar hij meende het. Al bedwong zich.

‘Oy sees,’ zei ie. Bing had een scharrel gehad met een hond.

‘Oy’s got one worry though,’ zei de kolonel.

‘Whot’s that?’

‘You’s a bit dodgy.’

‘Is Oy?’

‘Yes. On the one hand you tells Meess Beetch you full-heartedly sostines the canoine cause.’

‘Did Oy?’

‘You did. Bot on the other hand you and old Moike Mulch was on your why to tock the human populition into standing op aginest their roightful canoine masters.’

231.

 

‘Oh.”Can you expline? Oy hopes you can, Al.’

Kolonel Georges bleef hem serieus aankijken terwijl ze voortstapten. Serieus kijken valt niet mee voor een Jack Rossell, maar geslaagd of niet geslaagd, dit was dus dodelijke ernst en Al begon te transpireren. Hij zocht naar z’n zakdoek. Jakkes! Brrr! Tsk! Net ontsnapt aan het executiepeloton en dadelijk stond ie er weer voor. En allemaal dankzij Bing! Wel, Bing mocht Al uit deze situatie komen praten, maar waar was ie, de praatjesmaker? Overigens – Al had een ingeving – hoe zou Bing zich hier uit redden? Met bluf. Bluf! Wat had Bing al niet bereikt met bluf? Al keek kolonel Georges zelfverzekerd aan.

‘Oy can.’

‘You can?’

‘Yups.’

Georges knikte aanmoedigend, maar wat moest Al zeggen? Misschien kon ie zoals Bing wat beginnen te zeggen voor ie zelf wist wat het ging worden. En zien waar ie uitkwam.

‘Yups.’ Hij wachtte en ja hoor, daar zei ie vanzelf wat prachtigs: ‘bot it’s a bit tricky.’

De kolonel stond er stil van en Al knipoogde, ook weer zonder nadenken en dat bracht de kolonel helemaal uit z’n evenwicht. Hij drong niet meer aan en keek met respect naar Al. Er werd niet meer gesproken. Ze keken elkaar aan terwijl ze maar door liepen en niet opletten en andere voorbijgangers moesten opzij springen en de kolonel begon breed te grijnzen. Hij bleef maar grijnzen – tot Al begreep: hij hield Al voor een dubbelspion! Een dubbelspion waar ie nog heel wat mee kon doen. Al begon weer te transpireren, maar grijnsde evenzeer terug. Wat moest ie anders? Hij kon beter de indruk wekken dat ie niveau had. Trek of geen trek, hij ging het spel moeten meespelen.

‘Fancy a drink?’ zei Georges.

 

 

 

 

 

232.


Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s