Oy vonders who’s gonna pie rent.

Waarin …

Al stapte met een enigszins verdwaasde blik stevig weg van de Bongalow, in, mag aangenomen worden, de richting van Bowl, maar Art die op de stoep stond te wachten met z’n handen in z’n broekzakken had het zo niet begrepen en hij greep Al bij z’n mouw.

‘Al! Al, white! No need to wock! We’s got transportition!’

Hij wees gul naar de gehavende kartonnen doos bij trottoirband. De doos van elke zwerver, schijnbaar, maar er zat, zo bleek toen Art ze optilde, een bestelwagen van de post in.

‘Noice sorproise, eh?’

Art glinsterde, hopende op gelukwensen voor zoveel slimmigheid, maar Al hoorde hem niet. Bing kwam net ook buiten en terstond knetterde de lucht van de wrijving tussen de broers.

Ze staarden elkaar aan.

‘So,’ zei Al. Hij klonk un petit peu fel. Z’n faze van gedachtenloze wazige tevredenheid was blijkbaar al over.

‘So?’ zei Bing.

‘So the kissing marathon is over?’

‘Yups.’

Dat zei ie zomaar, brutaal, recht voor z’n raap, die Bing! En er nog bij lachen ook! Al wist geen antwoord meer. Hij stond een poos wraakzuchtig op z’n ene en dan op z’n andere been te wiebelen, maar per slot van rekening leek ie het dan toch gewoon bij beschaafde conversatie te willen houden.

‘Coming with os to Bowl, after oll then?’ vroeg ie.

Bing lachte. Hij kon nu moeilijk thee blijven drinken met Gerrie en Mevrouw Romy, maar mee naar the Far South gaan?

‘No.’

318.

 

‘Whoy not?”Well. You knows. Somebody has to look after Gerrie.’Al was onprettig verrast.

You, eh?’

‘Who else? Keekee?’

‘Keekee? A dog? Jost hand her to Topdog himself then!’

‘No. Oy’d better look after her moyself then.’

‘You come with os to Bowl and foight!’

Stilte. Ze wisselden blikken als pizzamessen, daar, voor het hek van de Bongalow. Hoe lang wel? De aarde tolde. Arts baard groeide. Maar dan begon Bing gelukkig breed te grijnzen.

‘Bot we needn’t go to war, Al!’

‘Oh? Doesn’t we?’

‘No. Didn’t Topdog sigh: ‘Give me one human who really loves dogs, and humanity’s off the hook’?’

Al knikte.

‘Give him that human.’

‘Mmmmm.’

‘Better than going to war.’

‘Yups. Bot who would you give? Who’s gonna keep Topdog from annihiliting mankoind?’

‘Gerrie.’

‘Gerrie? Did.You. Sigh. Gerrie?’

‘No! Boys, no!’ riep Art, maar Al greep Bing al bij de strot.

‘You varmin! Offering Gerrie to Topdog!’

319.

 

‘No! We’s jost brinestorming, Al. We’d never really offer Gerrie! No! Oy loves her too motch to do that.’

‘You dommy. Oy loves her too motch.’

‘Oh really? Oy loves her even more.’

‘No! Oy loves her most. Oy’s willing to give moy loife for her.’

‘Oy’s willing to give moy loife even sooner!’

‘Good, you can start now!’

Al greep en kneep en Bing werd blauw, nee ze knepen allebei en ook Al werd blauw, midden op straat, waar elke wanorde snel de aandacht van disciplinegekke schepsels als honden ging trekken.

‘Stop!’ riep Art, ‘ Fools! Whoy kill postmen? Dogs is whot we wants to put out of their misery!’

Hij roffelde op hun ruggen. Gaf ze trappen onder hun gat.

‘Ow!’ riep Al.

‘Ow!’ riep Bing.

Ze lieten elkaar los en haalden nu samen uit naar Art. Maar Art had jaren geoefend in gesprekstechnieken en ze moesten achteruit voor z’n vuisten. Ze zagen sterretjes. Het was niet serieus. Hij was kleiner. En een stuk ouder. Maar ze waren uitgeput. Ze hadden elkaar al te veel pijn gedaan. Ze keken elkaar aan en zetten het samen op een lopen.

‘White! White!’ riep Art, maar ze wachtten niet en hij kon ze niet volgen.

***

Het was donker buiten en wazig binnen in The Boor’s Breath. Al en Bing wiebelden broederlijk heen en weer op hun harde houten bank, verzoend na vijftien consumpties elk. Vrede. Vriendschap. Geen hond, geen stront te zien. Alleen ouwe mannetjes die prettig dronken tegen zichzelf zaten te mummelen.

320.

 

‘Oll roight,’ zei Bing, ‘let’s show Topdog one human loves him.’

Hoe, vroeg ie zich in een vlaag van helderheid af, was hij in dit naïeve schema kunnen stappen? Wel, hij was er zelf over begonnen en hij wou niet minder voor Gerrie doen dan Al.

‘Is there still one human?’ zei Al, ‘after oll the shoite?’

Bing glimlachte wilskrachtig. Moeilijk, hoor. Nu moest ie zich al verdedigen tegen argumenten die hij normaal zelf te voorschijn zou halen.

‘No problem. Thousands of old folks still loves doggies and they never comes outsoide. Too cripple. Too bloind. Too weak in the head. They’s been specialoizing in human shoite for so long they’s forgotten about dog one!’

‘Roight. Bot is it gonna click?’

‘Click?’

‘Is aunt Maud really gonna tell Topdog she loves him? Does he look sweet enough for her to sigh so? A coot loike him? Warts? No hair? Imagine a shiky girl with a blue rinse wocks op to him in her zimmerfrime, looks him over and foinolly sighs: ‘Oy loves you, you little booby.’ Does you believe this?’

Bing probeerde met alle middelen, maar helaas, het lukte niet. Hij kreunde.

‘No,’ zei ie, ‘let’s drop aunt Maud.’

‘We needs quolity,’ zei Al. ‘We needs certainty.’

Ze zwegen. En dachten allebei aan Gerrie. Gerrie, dat was kwaliteit. En zekerheid. Vooral als ze zoende. Maar Gerrie opofferen voor de mensheid? Nee! Ze hielden van de mensheid, maar nog meer van Gerrie. Ze dronken en werden dan maar weer doodwanhopig. Dan zei Bing:

‘Lists!’

‘Lists?’

‘Let’s both mike lists of 5 quolity humans. Then, let’s compare and draft a foinal list.’

321.

 

Goed idee! Ze bestelden elk nog twee Hoogs, gingen apart zitten met bierviltje en balpen en na éen minuut zei Al: ‘Ready!’

‘OK. Let’s compare.’

Ze wisselden viltjes uit maar Bing riep al ‘No!’

Terecht, want Als lijstje zag er als volgt uit:

1. Brenda
2. XXX
3. XXX
4. XXX
5. XXX

 

‘We said foive nimes! Is that foive nimes?’ zei Bing.

‘Moy Hoogs didn’t work properly. Bot Oy’s got Brenda.’

‘Brenda?’

‘Aunt Brenda.’

De zus van mevrouw Romy. Zij had Topdog ooit nog dat verschrikkelijke trauma gegeven door hem niet te willen als knuffeltje. Als zij hem vertelde dat ze eigenlijk toch veel van hem hield, hem even, zeg maar, vijf minuten intiem wou vatten en zoete woordjes toefluisteren, draaide hij zéker bij.

‘Mybe,’ zei Bing koeltjes. Misschien was Brenda nog altijd een tang. ‘And is she still around? How old would she be now?’

Dat zou Al verder uitzoeken.

‘And who’s XXX? Strong candidate. Mentioned four toimes.’

Ach, Al had vier keer aan Gerrie gedacht, maar hij zei vlug: ‘Oh. Nobody. Let’s look at your list!’

Die getuigde, moest Al erkennen, van meer intellectuele kracht dan de zijne. Ze was

322.

 

zeker twee keer zo lang.

1. Prince Woof
2. Queen Betty
3. Biby
4. ?
5. ?

 

‘Prince Woof?’

Ze kenden hem geen van beiden echt intiem maar hij beslist een top-hondenvriend. Waarom heette hij anders Woof? (lvii) En allure dat ie had. Waarempel de moeite als zo’n type met veel tralala zei dat ie van je hield! Normaal kon je hem vinden bij Gerrie in de straat.

‘Queen Betty?’

Niet de ma van prins Woof, hoor. Wel familie, zoals alle Rolls, maar de naam was Bing gewoon binnengevallen. Hij had evengoed Queen Eclair kunnen noteren, maar die hoorde al in Woofs pakket. Queen Betty was een categorie apart. Droeg naar het schijnt zelfs een echt gouden kroontje. Met steentjes. Woonde niet in de straat, zelfs niet in de BE. Vraag was of ze haar wel ooit te pakken konden krijgen want je moest er het water voor over. Ze woonde tussen de palmbomen als de Queen of East-Murky. Wel vreselijk oud.

‘Still transportable?’

‘Moight foll to pieces.’

Dat maakte haar eigenlijk gelijk nog begeerlijker. Stel je voor dat zo iemand op gevaar voor het eigen leven bereid was om Topdog te komen vertellen dat ie een lieverd was! Wel, Al had er zo zin in om haar te gaan halen!

‘Biby. A biby?

Tja, ze waren maar weinig meer te vinden, maar, wist Bing, biby’s werden altijd

323.

 

weer aangetrokken tot woewoes. Wilden elk hondje aaien. Niet het minste besef van gevaar. En honden begrepen dat en wachtten biby af. Ze waren er hardnekkig op uit om de wereld onder te kakken maar voor biby’s leken ze een uitzondering te maken. Er waren ondanks de schaarste in elk geval meer biby’s te vinden danbaby-iets-minder-gesatureerd-frame.jpg Brenda’s of Rolls. Ze waren ook makkelijker te transporteren, maar welke moeder wou zelfs voor het heil van de mensheid ooit haar kind aanbieden aan Topdog? En hield Topdog van biby’s? Kon een biby hem van besluit doen veranderen?

Terwijl de waard Al en Bing elk twee verse Hoogs bracht, viel Al in dat ook Bings superieure lijstje uitermate dikke flauwekul was. Topdog wou maar uit éen mond wat horen: uit die van Gerrie! En stel dan nog, ze wou hem wat aardigs zeggen, zou ie daarmee willen volstaan? Al combineerde Gerrie en Topdog even in een gedachtenexperiment.

‘No!’ riep ie, want wat ie zag was onverteerbaar.

‘Whot?’

‘We must never ever offer Gerrie to Topdog!’

‘Bot who’s tocking about Gerrie?’

Ze zwegen. Maar ze waren het eens. Ze wilden elk Gerrie voor zich.

‘Prince Woof!’ zei Al. ‘Let’s give him Woof.’

‘Roight,’ zei Bing, ‘To Loilac Line. Piece of kike.’

Ze dronken hun glas kordaat leeg, scheurden de bierviltjes in duizend stukjes, en stonden wankelend recht.

***

‘Prince Woof?’

Prins Bocko glimlachte weldadig naar Al en Bing, verzamelde z’n krachten en rukte de spleet van de voordeur verder open. Het streelde hem dat men hem weer eens voor zijn beroemde vader hield, en om hem heen lag de gebruikelijke berg prinsen in slaapzakken, maar ze waren allemaal van het jonge slecht gekamde type en boven

324.

 

elk hoofd hing een vet geel wolkje vieze adem. Bah. Prins Woof lag er niet bij.

‘No,’ zei prins Bocko waardig.

‘Oh.’

Al was even van de wijs. ‘We thought. So. You.’

‘Oy is prince Bocko.’

‘Yes of course. Bot you knows where he is, doesn’t you?’

‘Yes.’

‘Where is he?’

Prins Bocko keek fris Al aan en wreef over z’n volle nek.

‘We really need to foind him.’

De prins wreef.

‘It’s a matter of loife or death.’

Wreef.

‘Your hoighness could help os sive humanity!’

‘Yeah, Oy could.’

De prins glimlachte. En Bing had zich lang genoeg verbeten. Wat was Al toch een schaap! ‘Fockhead,’ riep ie, ‘where is he?’

Stom! Oh wat stom! Om bij te huilen! En dat voor zo’n handige bliksem. Iedereen moet z’n gevoelens ruimte geven, dat spreekt, ze onderdrukken lijdt alleen maar tot ondraaglijk psychisch en fysiek lijden en hoogst vervelende vragen om euthanasie, maar jakkes, was dit nu een wenselijker? Was dit een diplomatiekere aanpak? Kwam hier resultaat van? Nou, dat wilden we dan toch wel even zien! De prins draaide in elk geval gretig naar Bing en keek nog aardiger.

‘Noice pair of trousers, Bing. Corduroy?’

325.

 

‘Uh.Yeah.”Could Oy troy them? Jost for a moment?’

‘Oh, eh, sure.’

Bing klom met een lang gezicht uit z’n broek. Prins Bocko klom uit z’n eigen broek, ging ze snel opbergen ergens elders, diep in het huis, in een ander kamertje, klom dan gezwind in Bings broek en keek in de spiegel.

‘Mmmm!’

‘So,’ zei Al, ‘where is we gonna foind Prince Woof, your hoighness?’

‘And Oy loikes that shirt, Bing. Noice blue. Whot’s them birds? Parrots?’

‘Yeah.’

Bing ontdeed zich met pijn in het hart van z’n hemd, ‘please, where,’ vroeg ie in alle ootmoed, ‘does your dad live, your Majesty?’

En toen ging het snel. Het leek wel of prins Bocko openging. Mens werd. Hij keek de broers warm aan. ‘It’s difficult to expline. Near Too Far.’

‘Too Far?’

‘In an old villa in the Holy Woods. Whoy doesn’t Oy show it moyself?’

Oh, dat lieten Al en Bing zich geen twee keer zeggen. Ze klommen in de DS en even later schoten ze oostwaarts door Woolway, een van de minder ontwikkelde kanten van Brossels City, Bing aan het stuur, gewikkeld in een oud fluwelen gordijn dat prins Bocko kon missen, prins Bocko zelf in Bings Hawaihemdje dat hem machtig beviel naast hem, en Al op de achterbank.

Vegetatie en bebouwing wisselden snel. Nu eens villaatjes met rieten daken voor menselijke en dierlijke bewoning dan weer de heilige bossen van Sonic Bush waarvoor prins Woof zich meer dan honderd jaar geleden nog zo had geweerd, steeds dichter en donkerder. Weinig wolkenkrabbers. Met al dat gedoe over de heiligheid van bossen en bomen en het gerucht dat rondzwervende stammen dure tandartsen hier wie er niet goed thuis was ontdeden van alles van waarde, had het groen

326.

 

ongestoord alles kunnen overwoekeren midden in de stedelijke sprawl tot een echte rimboe. Woesj. De snelweg schoot over de machtige River Woolway die zich verderop tussen Tree en Willow Brook met groot gedruis in zee ging werpen. In een verre zeldzaam boomloze bocht van de stroom zagen ze het vervallen Woolway Shopping centrum. Inboorlingen, gekleed in plastic met de opdruk Rob’s Hoypermarket probeerden er het woeste water over te steken in bootjes vol appels en peren. En dan reden ze alweer midden reuzenbeukenbomen met hier en daar pittoreske boomwoninkjes. Enorme hooghartig kijkende herten en ditto plaatselijke bevolking met goud in diverse leden gespietst namen her en der op de snelweg zogenaamd argeloze posities in, waar je dan maar omheen moest slalommen. Bedoeling was passanten mansdiepe gaten in te sturen. Ze zouden er dan tegen een fikse vergoeding weer uitgegraven worden, maar daar hadden Al en Bing geen tijd voor. Al wees naar het bord langs de weg:

 

Welc me in Too Far!

 

I s fimous golf li ks.Its fimous Public House ‘In the Angel’. Its old Freaky museum. Its histerical centre.Its Intresting Smoll and Midddle Soize local interproises.

 

 

Ze zagen alleen maar veel te dikke beukenbomen.

‘It’s here somewhere,’ zei prins Bocko. Hij klonk wat onzeker.

Ze reden zo goed en kwaad als mogelijk een poos heen en weer over de paden tussen de reuzenbomen en toen stonden ze stil. Ze klommen uit de DS en liepen achter prins Bocko’s dikke gat aan. Schaars zonlicht viel door het bladerdek tot voor hun voeten. Mos. Moeras. Geplette blikjes Hoinikin. De gevaarlijke geur van vermoedelijk veel te

327.

 

grote prooidieren. Een met varens toegedekte luwte waar honderden verroeste fietsen waren komen sterven. Heel innig, maar ze moesten verder. Eindelijk hield de prins hield halt in het midden van een open plek en duwde z’n voet heen en weer in rotte paddenstoelen. Hij knikte betekenisvol.

‘Yes.’

‘Is this the golf links?’ zei Bing.

‘No.’

‘The histerical centre?’

‘No. The villa.’

‘The villa? Prince Woofs palace?’

‘Yes.’

‘Bot there isn’t anything here, is there?’

‘Oh dear,’ zei prins Bocko, en hij keek hoogst verveeld, ‘it’s no longer here.’

Hij boorde z’n voet weer in de grond. Er kwamen kapotte horloges omhoog, een door de tand des tijds aangevreten groene rubberen laars en de mouw van een lodenjas. En na enig woelen hier en daar zagen ook Al en Bing het grondplan van een fatsoenlijk huis voor bemiddelde burgers. Prins Bocko hield op met z’n archeologisch werk of ie z’n plicht vervuld had en keek hulpeloos naar Al en Bing.

‘No villa.’ Hij bood z’n gesprekspartners een droevig oog. ‘So no prince Woof. Whot does you think?’

Wat zij dachten? Wel, zo’n hoop flauwekul namen ze toch wel op hun krachten.

‘Fock you!’ riepen ze in stereo.

‘Been pulling our leg, eh?’ ‘ zei Al. ‘This is a ruin!’

En Bing greep de prins bij de lurven.

‘Hey hey hey,’ zei de prins, ‘don’t totch me, mite. Oy’s a Roll! A Prince! And don’t

228.

 

spoil moy beautiful shirt! Of course it’s a ruin. It been one for twenty years.’

Hij zei wel af en toe wat verzoenends op de terugweg.

‘Noice car.’

‘Pff.’

‘Noice trip. Oy gets bored easily. Oy needs a little outing once in a whoile.’

‘Pshh.’

Al en Bing bleven zitten mokken.

‘Noice chair. Fits perfectly.’

De prins veerde op en neer met z’n dikke gat, maar niet lang, want ze hielden al halt voor z’n bongalow in Loilac Line, lieten hem uitstappen, beenden met hem over de vuile hoop Rolls in slaapzakken heen het salon in en zaten neer op de lang niet geluchte sofa.

De prins glimlachte gedienstig. ‘Tea?’

‘No, mite!’ Bing veerde recht en trok in hoog tempo kasten open. ‘You wouldn’t have any tea in the house, you pompous swindler. Jost tell os where your fimous dad is.’

‘Bot Oy doesn’t know.’

‘You must have got his address here somewhere.’

Niks in deze kasten? Bing verdween al in een andere kamer.

‘Honestly,’ zei de prins. ‘That chair in your car was so beautious.’

Al probeerde dreigend te kijken. ‘Where is your dad?’

‘It would do so well in this room.’

‘Where is prince Woof?’

‘Look!’ Bing viel de kamer weer in met z’n armen vol kussens, roodleren agenda’s en

329.

 

ansichtkaarten. Hij gooide alles op de sofa en plukte een kussen uit de hoop.

‘Clever!’ zei ie. ‘Hoiding addresses in cushions!’

Hij rukte het open maar het zat vol kapok. Hoe Prins Bocko ook jammerde, Bing en Al bleven kussens openrijten en in een oogwenk lagen de slapers in het salon ondergesneeuwd.

‘Bot it’s jost stoff!’ riep Bing.

‘Of course!’ zei de prins. ‘Whot did you expect?’

Wel, het adres. Ze grepen naar de agenda’s. Maniakaal volgekrabbeld en even was er hoop, je vindt vaker adressen in agenda’s dan in kussens, maar helaas, ze vormden samen een militair-homoerotisch dagboek, en niet van prins Woof maar van Edgar. Complexe ziel, maar geen adres.

‘Fock.’

‘Yeah. Fock.’

De la ansichtkaarten. Van heinde en verre. Vaak van jaren geleden. Vanvoren telkens bloot in platformschoenen en vanachteren ‘Dear Bocko boy, could you send me 10.000.000 Bolls? Daddy.‘ Of een ander getal.

‘How wonderfully useful the Post Office is,’ zei Al.

‘Yeah.’

Prins Bocko klonk zo weinig geestdriftig dat Al er z’n hoofd op wou verwedden dat ze ’t adres nu sito presto gingen vinden. Als er ergens adressen op stonden, dan op ansichtkaarten! En de meest recente bood het warmste spoor. Ze hadden prins Woof zo goed als bij de lurven!

En ja mensen, een minuut later lagen er zelfs al twee meest recente ansichtkaarten op het koffietafeltje, een week geleden verzonden, de ene uit Sa Soo See, de andere uit Crack Off. Op dezelfde dag. Maar lag Sa Soo See geen honderden kilometers van Crack Off? Aangezien er alleen nog low bodget luchtlijnen vlogen die om de kosten te drukken alleen op godvergeten plekken landden in plaats van in wereldsteden als Sa

330.

 

 

Soo See of Crack Off kon prins Woof niet door de lucht van de ene plek naar de andere gezoefd zijn om telkens z’n ansichtkaart op de bus te doen. Moeilijk. Kon Woof met voldoende snelheid zonder gevaar voor eigen lijf en leden, zonder vliegtuig in éen dag van S naar C geflitst zijn, of vice versa, om dit wonder waar te maken in samenspraak met de locale postbediening? Gehoorzaamden deze twee ansichtkaarten wel aan de natuurwetten?

‘Of course they does,’ zei Al. ‘They’s been stamped on the sime die bot there moight have been weeks, even months, between the moments they got posted.’

‘Oh’.

‘Yeah. Outsoide Brossels City oll mile has to white ontil there’s enough of it to send it awhy with nomore than a reasonable loss. Ontil there’s a whole sack of it. It gets gathered over woide woide areas, over thousands of km²s that is, to get sackfulls, bot still, it moight tike some toime. Bot it’s motch more realistic a proposition organoizitionwoise. Streamloined service.’

‘Good, where’s the address?’ zei Bing.

‘Whot address?’

Het adres van de afzender! Waar stond het? Nergens. Nergens waar dan ook! Ook de ansichten waren een jammerlijk dood spoor. En al staarde Al er naar tot z’n voorhoofd opbolde, er kwam geen afzender te voorschijn floepen. Bing hield zich beter, maar ongeacht beider psychologie was er maar éen goeie reactie nu als ze niet wilden wegzinken in wanhoop: snel naar prins Bocko kijken. Ze hadden maar éen kans, beseften ze: dat Bocko boy toch stiekem wist waar z’n ouwe zat te koekeloeren. Maar welke hefboom hadden ze om het uit hem te wurmen? Bij gebrek aan beters keken ze weer dreigend. Uiterst dreigend.

‘Now,’ zei Bing.

‘Yes now,’ zei Al.

‘Now where is he?’ zei Bing.

‘Where? WHERE?’

Bocko keek vrolijk. ‘Oy loikes that chair in your car so motch.’

331.

 

‘No! Not agine, don’t troy to blackmile os, you Shoylock!’ De tranen kwamen Al in de ogen. ‘We’s got to sive the human rice! We has no toime to lose! Where is he?’

‘It sure is a noice chair.’

‘Drop dead. Tell os: where is he?’

‘Oy’s never sat in a better chair.’

Al en Bing keken elkaar aan. Ze waren ten einde raad.

‘Oll roight!’ riep Bing. ‘You gets the chair we gets the address.’

Prins Bocko knorde tevreden en de jongens begrepen: jà, Bocko wist het adres! Dat stuk ellende! Hij had het heel de tijd geweten! Ze haalden opgelucht adem.

***

Ze vertrokken bij het krieken van de dag. Terwijl pa en ma nog lagen te snurken, haalden ze de koelkast leeg en vulden ze koffer en achterbank van de DS met luchtdicht verpakte voorgebakken chippolata, twee-literflessen limonade, zakken chips, beschuit en wc-papier van ma. Bing legde ma’s telefoon en een extra brandstofstickje in het handschoenvakje en zette met een veel geste Gerries foto midden op het dashboard.

‘Oy loves you, Granny,’ zei Gerrie en Bing bood Al een blik vol triomf. Wel, Al liet niet over zich heen lopen. Hij had gelukkig een theelichtje bij de hand en zette het bij de foto. Het sidderde warm en hij glimlachte vertederd naar Gerrie, al was het maar om Bing nog wat meer op te fokken.

‘Soign of our love,’ zei ie, voor het geval dat nog niet duidelijk was.

‘Bot did she give that to you herself?’

Al zei lekker niks. Nou, dan Bing ook niet. Er moest blijkbaar wel nog een enorm ding uit z’n zak. Zo groot dat ie vreselijk moest trekken, maar daar was het dan toch. Hij zette het, pop, vast met zuignappen naast de foto. Het benam het gezicht op half de voorruit. Totem? Geluksbrenger? Een melkwitte Proserpina. Zonder hoofd. Maar met eraan vast weer een foto van Gerrie die o zo aardig keek. Uit karton geknipt en geplakt met secondenlijm. De liefde staat voor niets en niet echt Kunst, maar zodra Al ernaar keek, gloeiden de tieten om beurt op van gezellig oranje en snoepgroen

332.

 

licht en Al vond ze toch wel net, zeker zulke knotsen.

‘Wow,’ zei ie, om iets te zeggen.

‘Mide it moyself.’

‘Never seen it.’

‘Kept it in moy copboard, idiot. Bot how about this, man?’

Bing trok met veel vertoon nog wat uit z’n andere zak. Weer zo omvangrijk dat ie goed moest rukken maar daar had ie het dan toch in beide handen. Het fonkelde donker. Een reuzecoproliet vol edelstenen?

‘Wooh! Whot’s that?’

‘A magic crystal.’

‘Woowaah!’

‘Yeah woowaah. Extremely good for,’ Bing dacht na, ‘everything. Shows how motch she loves me.’

‘She give it to you? She? Gerrie?’ ‘Yeah.’

‘No!’

Al voelde dikke tranen opzetten en Bing grijnsde superieur, gevleid door zoveel afgunst. ‘Her top crystal! Full of the mysterious forces of the cosmos to wotch over me. Listen!’

Hij hief de klomp tot bij Als oor, en ja, Al kon ze horen fluisteren! Tike me, shike me, And the universe is gonna lift the curse.

Pff. Dikke vette onzin, eh? Al staarde Bing sceptisch aan, maar in een behoorlijk

333.

 

gulle bui deponeerde die de rots in Als handen. Al wankelde onder het gewicht.

‘It’s yours, Al. Now, let’s go sive the world!’

Bing achter het stuur, Al tussen de chippolata. Hij moest wel. De stoel rechtsvoor stond nu bij prins Bocko. Bing draaide de sleutel krachtig om in het contact, en zoef, weg waren ze naar Sa Soo See!

‘Bing, where’s we gonna sleep?’

‘In the car, silly.’

‘Not in hotels?’

Stilte.

‘Oy wants to sleep in hotels, Bing.’

‘Oll roight oll roight.’

‘Thanks, mite.’

De motor snort.

‘Bot who pies for them hotels?’

‘Ma.’

‘Ma?’

Bing wees naar z’n borstzakje. Ma’s nieuwe kredietkaart.

‘Wooow!’

‘Oy found it in the blue Delft tea pot.’

‘Waw. Bot she can’t go to the Smart Socker no more now!’

‘Who does you wonna sive, Al? Gerrie or ma?’

Al zweeg. Hij wist het antwoord wel. Hij wist het verschrikkelijk goed.

Ze reden twee dagen non-stop dag en nacht ongenadig door terwijl ze allebei heel de

334.

 

tijd zonder spier te vertrekken aan hun Gerrie dachten. Zonder scheren. Zonder rusten. Zo ongenadig dat de DS ervan kreunde. Na eén dag vielen de koplampen uit en moesten ze het doen met de schaarser wordende natriumlampen langs de Trans-Brossels. Je zag minder en minder sloicers en meer en meer brede ouwe auto’s, zodat de DS op den duur niet meer opviel, tenzij door z’n roekeloze snelheid. De wolkenkrabbers werden korter. De geur van spek en uiensoep dikker. Koeltorens wierpen opnieuw en opnieuw kilometers witte wolk over het land en de DS moest er telkens door. Al en Bing wisselden elkaar zonder stoppen af aan het stuur. Dat viel wel mee nu de rechtervoorstoel weg was. Terwijl de ene het stuur al van rechts vasthield, klom de andere naar achteren om te dutten of chippolata uit het vuistje te eten. Behoeftes werden in de vlucht verzorgd. Het raampje rechts voren half opendraaien, zo beschaafd mogelijk het betreffende lichaamsdeel ontbloten, het als er weinig verkeer was of ze weer door een grote koeltorenwolk reden naar buiten steken, het nodige doen en het raampje weer dicht draaien. Het gebruikte wc-papier werd opgespaard in een plastic emmer met deksel, want het gerucht ging dat de bevolking aan deze kant van Brossels ongemeen vijandig werd van vuil. En onverwacht reden ze, terwijl Al z’n broek nog optrok, al door Sa Soo See, waar zichtbaar veel water te vinden was. Ze vertraagden, uitgeput maar tevreden. Veel lucht. Het soort lucht van Spartaanse vakanties. Veel bootjes. Veel hulst en hagen. Veel ouwe manspersonen met schipperspetten en veel haagscharen. Veel ouwe vrouwmensen met veel mascara. Hier was, zei Bing met veel spijt, veel lol te halen, maar daar was nu geen tijd voor. Hij liet zich bij wijze van tractatie wel uitvoerig de weg wijzen door een oud wijf en even later stonden ze, onverwacht makkelijk, met rode ogen en stoppelbaard in een zijstraat van Bobblesborough Park Road voor het adres waar prins Woof zich dus schuilhield: het licht groene en op het dak van z’n naam in grote scheef zakkende koperen letters voorziene Proivate Hotel Dickitscht. Het lag, zag je aan de goedkope passanten, in een aan lager wal geraakte buurt die de schijn hoog hield bij middel van verhoogde waakzaamheid op het punt van properheid. Zoals heel Sa Soo See.

Ze parkeerden pal voor de deur. Het raampje in de deur glom. Pas gezeemd.

Heh, wat goed om na twee dagen de benen te kunnen strekken. Geen chippolata te ruiken. Geen wind van je broer. Ze wankelden, maar nog voor ze binnen waren, maakte de geur van WC-Eend uit het hotel hen gelukkig weer goed wakker. Ze waren eigenlijk nog altijd in Brossels maar hoe afgemat ook, Al zag goed dat de

335.

 

mensen hier cultureel al een trapje lager stonden. Nurks. Koud. Leren broeken en jakken. Zelfs de wijven. Of ze waren hier allemaal lesbisch. Veel honden. Gewoon naakt. Onopvallend. De overheersing van de wereld door de hond was hier normaal. Ze liepen maar van her naar der aan de leiband, hun begeleiders meesleurend. Ze hadden het hier naar hun zin. Trottoirs vol bomen. Struikgewas. Dikke dames met kuiltjes en rosse mannen met waterogen wachtten zuur maar gedwee ondanks levensgevaar af tot hondlief een bolus midden op de expressweg had geknald. Ach, Al en Bing lieten ze en spraken onverwijld met meneer Dickitscht. Het hotel bevond zich gelukkig net op het adres dat prins Bocko had genoteerd. Maar goed ook. Ze hadden er een autostoel voor weggegeven. Bing vernoemde prins Woof en ja hoor, meneer Dickitscht, al decennia lang exploitant van het pension, greep naar z’n hoofd. Ja, die zeur met negen horloges en z’n dik Brossels accent! Tegen knakworst en koolsoep, en iedereen bevelen geven maar toen het erop aankwam in lucht opgegaan zonder te betalen! Dat deed je niet als je fatsoen had!

Wanhoop beving Al.

‘So he’s gone?’ ‘ zei ie met een dun stemmetje.

Dickitscht knikte.

‘And where is he now?’

‘Him gone. Oy vonders who gonna pie rent,’ zei Dickischt. Al vroeg zich af of meneer Dickischt omgang gehad had met prins Bocko.

‘Where is he, Mr Dickitscht?’

‘Is you zomehow relited to His Majesty?’

‘How motch?’

Een astronomisch bedrag in pre-Brossels papiergeld, hier nog in voege en dat hadden ze niet, maar de heer Dickitscht glunderde. Hij was bereid genoegen te nemen met al hun flessen limonade, zakken chips, rollen WC-papier en de helft van de chippolata’s en hen bij wijze van wederdienst waardevols te bieden. Had hij geen publieke pc in z’n pension? Mochten z’n gasten die niet gebruiken om per e-mail bij familie en vrienden de huur te bedelen voor hun kamer. En kon meneer al die emails niet

336.

 

checken in de rubriek ‘verzonden’ om achter z’n geld aan te gaan en hoe vaak moest dat niet? Helaas, prins Woof voerde z’n correspondentie op papier en gooide ze in een brievenbus buiten meneer Dickitschts gezichtsbereik. Hij gebruikte die pc nooit, de asociale stiekeme lul! Behalve een keer, recent. Misschien kon ie toen niet anders. Het oosten kende geen echte post meer die dagelijks papier rondstouwde over grote afstanden. Individuele emailadressen ook al bijna niet. Technisch begaafd, maar beschavingsgewijs wilden. Je kon er je email hooguit naar een centrale beschavingspost sturen, vanwaar ie uitgedraaid op papier met de fiets naar het aangegeven adres werd gebracht. Gelukkig gevolg hiervan was dat meneer Dickitscht Al en Bing nu een uitdraai kon bieden van prins Woofs enige email. Ze bogen met z’n drieën voorover en keken naar iets uiterst zeldzaams.

Hoy Honeyponey!

Oy’s seen enough of the world. Oy’s gonna be home in a few dies time. Kissiekissiekissiekiss. ♥ ♥ ♥ ♥ ♥ ♥ ♥ ♥ ♥ ♥ ♥ ♥ ♥ ♥♥♥ … H. M. Woofie.

 

‘Waw!’ zei Al. ‘Is this an address?’

‘Pot of course, poys!’

Het was een adres, daar achter, nog veel verder naar het oosten.

‘Ulica 17. Nime of a street?’ zei Bing.

‘It is.’

‘No plice nime?’

‘Zey has no plice nimes zere.’

Dickitscht huiverde. Dit adres was zo ver! Hij stak z’n

337.

 

arm uit en die kwam terug met een leren voorschoot die hij zorgvuldig omknoopte. Hij trok rubberen handschoenen aan en bood de broers een betekenisvolle blik.

‘Poys, Oy’s got to cook chicken for tonoight.’

Al en Bing begrepen en begaven zich met spoed naar de uitgang. Maar Al kon een laatste vraag niet nalaten.

‘Mr Dickitscht, whoy not troy to get your due from Ulica 17?’

De heer Dickitscht staarde hem verbaasd aan.

‘Vhoy?’ zei ie.

Hij had alles toch net al met winst op Al en Bing verhaald.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

338.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s