Het mooiste beroep ter wereld.

Waarin …

Misschien probeerde Al nog een aantal adressen. Of liep ie alleen en verdwaasd verder trottoirs af. Het blijft onduidelijk. Hoe dan ook, onverwacht was ie weer bij z’n verstand – en onmenselijk wanhopig. Ging ie dan z’n hele leven moeten blijven stofzuigen voor ma? Hij keek op z’n horloge. Hij had zeker een uur bewusteloos rondgedwaald. Z’n hoofd stak. Daar was ie van bijgekomen. Hij voelde er voorzichtig aan. Er sprongen onmiddellijk grote vlammen van pijn uit, maar gelukkig was ie nog in het bezit van z’n aktentas. Hij kon z’n suikerwafel opeten en wie weet voelde hij zich daarna wat lekkerder. Z’n voeten deden al even veel pijn als z’n hoofd, maar tot z’n tevredenheid zag ie een muurtje, een buitengewoon aantrekkelijk muurtje, al wist ie niet goed waarom, maar het glom van duizend zitvlakken. Ook anderen hadden hier dus graag gezeten. Hij spreidde z’n zakdoek erop uit, ging er zorgvuldig op zitten en deed z’n ogen dicht.

Verkwikkende rust. Minuten verstreken, scholen sloicers schoten voorbij, en toen zei een stem vol medeleven: ‘Boy oh boy, you could drop dead any toime, eh?’

Productondersteuning. Niet op ingaan.

‘Bot sorry mite, this woll is R R A P.’

Al deed z’n ogen open, keek tegen een pet en een gevaarlijke voetbalsnor (xv) aan en schrok maar gelukkig was de ermee in verband staande man geen privé politieman. Hij probeerde Al wel gezagvol aan te kijken, dat doen kleine mannetjes altijd, maar hij was al in de tachtig en had pook noch hoge bloeddruk. Hij was ook te lelijk om PO te kunnen zijn. In z’n hand zat een kroes van een halve liter Hoog en toeval of niet, Al kreeg vreselijke dorst.

‘R R A P?’ zei ie.

‘Reserved Recreition Area for Postmen.’

Al moest lachen.

‘Don’t laugh!’

33.

 

De pet keek Al streng aan, kondigde aan lid te zijn van de Postmen’s Social Clob en wachtte op het effect.’Wow!’ zei Al.’Yeah.’

De postbode zette het glas tevreden aan z’n lippen, liet de inhoud naar binnen stromen tot het glas leeg was, veegde z’n mond af met de rug van z’n hand, ontdekte Al weer, en gromde vrolijk.

‘Thirsty, eh?’

‘Yeah.’

‘Bad, eh?’

‘Yeah.’

‘Well, we’s got loads of Hoog insoide, bot sorry, only for postmen.’

‘Oh it doesn’t matter.’

‘It doesn’t?’

‘No.’

‘Bot you’s doying! You could have a look at our Hoog, though. If that’s enough. How about it? Come and have a look insoide.’

‘Insoide?’

‘Behoind you.’

Een knullig laag gebouw. Brede arduinen trap naar een dubbele deur met raampjes die nooit van een zeemlap gehoord hadden. Boven de deur in arduin gehouwen het opschrift Whammle Post Office.

Hij was weer in Whammle! Hij was nog nooit in deze straat geweest, en nooit in het postkantoor, maar hij was dus bijna weer thuis! Hij had blijkbaar bewusteloos een hele afstand afgelegd. Hij ging mee naar binnen en stond nu in een uitgestrekte grot, een oase van koelte die naar vers gebakken spek rook. Alles zat onder een dikke

34.

 

laag stof. Hij zag veertien loketten. Eén ervan was niet afgedekt met blinden maar voorzien van een forse negentiger in grijze stofjas. Zodra Al naar hem keek dook ie weg.

‘Frank, it’s ollroight!’ riep dhr.Voetbalsnor. De negentiger kwam weer recht en grijnsde. Z’n mond zat vol gouden tanden. Achter hem zoemde een rij gietijzeren machines en af en toe schoot er een brief uit in een jute zak. Een half dozijn oude heren in blauw uniform en met petten op lag in een hoek uitgestrekt op een lange sofa en keek naar Angela en Omar op de spanningsregulator.

Voetbalsnor trok een grote koelkast open. Ze stond vol flessen Hoog. Hij zette z’n glas ertussen, liet Al goed kijken, duwde de deur dicht en glimlachte royaal. ‘There! Oll our Hoog. Feel better?’

‘Not really.’

‘Well, too bad, moy friend, bot that’s the rules: only Hoog for postmen! Anything else Oy could help you with?’

‘Actually, yes! Oy’s looking for a job.’

De heren op de sofa vielen stil, fronsten en monsterden Al.

‘For moy brother,’ wou ie zeggen, maar Frank riep al: ‘Whot? A job? Here?’

‘Yup.’ Al was weer verbaasd over hoe gevat hij was. Hij had er nooit aan gedacht om bij de post te solliciteren! Wie wel? Maar nu hij hier toch stond, waarom niet?

‘Fool!’ zei Voetbalsnor. ‘Has you tiken leave of your senses?’

‘The problem, boy,’ zei iemand die aan een tafel spek zat te eten uit een pan, ‘is we doesn’t doie no more.’

Onder de tafel deed een grote kale hond of ie ’t ook niet begreep.

‘Loike in the good old dies,’ zei speketer. ‘We needs no replicements no more. So there’s never no vicancies no more here.’

‘We’s full,’ zei Frank. ‘Been full for forty years!’

De heren op de sofa knikten.

35.

 

‘Overstaffed!’ zei Frank vanachter z’n hand.’Bot Oy could do your job!’ zei Al.Het gezelschap keek aangenaam verrast. Dan rees er achterdocht.

Moy job?’ zei Frank. ‘And moy pie, eh?’

‘No.’ Al zei het te snel.

‘No?’

Consternatie. Hoe ging dat dan? Al dacht zorgvuldig na maar Spekman legde het laatste stuk spek in z’n mond weer in de pan zodat ie vrijuit kon spreken en zei: ‘He could volonteer.’

‘Volonteer?’

‘Work for nothing.’

‘Wooow!’ zei Frank, ‘a volonteer doing moy job for nothing! Marcel, that’s grite!’

‘Yeah! Yeah! Yeah!’

Bijval alom. Marcel stak het stuk spek weer in z’n mond en glom.

‘Whot’s your nime, boy?’ zei Frank vriendelijk.

‘Al.’

‘Art, where did you foind Al?’

‘Outsoide on the pivement. He wonts a Hoog.’

De sofazitters begonnen verontwaardigd te mompelen.

‘Well, Oy sighs,’ zei Art luid om ze de pas af te snijden, ‘he can have one – as soon as he’s officially on of os. Bot he must promise one thing roight now!’

‘Whot?’ zei Al.

Art keek Al aan. ‘Never ever use a phone!’

36.

 

‘No!”No, never!”Oh no, never ever!’

Nee, dat mocht van geen een van hen.

‘Whoy not?’

‘Postmen never ever uses phones, Al boy,’ zei Marcel.

‘The phone is evil!’ zei Art.

‘The phone is a deadly threat,’ zei Marcel.

‘Ollwhys remember,’ zei Art, ‘ peoples using phones doesn’t wroite letters. The bleeding heartless egoists! Tiking awhy work from the post office. Our work. Your work. You onderstands?’

Al knikte.

‘You promises?’

‘Oy promises!’

Gejuich steeg op en Art liep als actief lid van gezelligheidsvereniging The Postmen’s Social Clob kordaat de trap op naar ‘het bureau’, begeleid van een personeelsdelegatie bestaande uit heel het personeel en hij regelde in éen beweging Als vrijwilligerschap met meneer Fred.

Al kon z’n ogen en oren niet geloven, maar hij mocht even goed zo het mooiste uniform en een leren tas uitkiezen uit de voorraad achter slot op de zolder, en zodra hij in z’n bijna nieuwe nog naar mottenballen ruikende uniform met z’n tas op z’n buik te midden van applaus en met tranen in de ogen de sorteerzaal weer in kwam, zwaaide de koelkast open en Marcel reikte hem een flesje van een halve liter Hoog aan. Eén? Nee, twee! Zelfs drie. Iedereen dronk broederlijk en geestdriftig mee, zelfs de grote hond onder de tafel, en het hield maar niet op zodat Al een half uur later toen hij en Marcel elk met hun leren tas op de buik naar Marcels ronde zwijmelden, nog licht euforisch eensklaps tegen een paal liep.

‘Ow!’

‘Hey, whot was that?’ zei Marcel.

Al bloosde.

37.

 

‘Thinking too hard, eh?’Al keek weg.’Whot about? Come on, man, about whot? Tell me!’

‘Eh. About – ma.’

Your ma? That’s noice!

‘How bloddy roight she was! Yes, there is still work to be found!’

‘Of course there is!’

‘More than work.’

‘Of course there is!’ Marcel stond stil en fronste. ‘More than work? Whot does you mean?’

‘Well, we was drinking so happily together with oll them post office goys jost now that Oy thought: whot Oy’s feeling now, whot they’s giving me, whot Oy’s giving them, is,’ hij keek Marcel strak aan, en voelde zich machtig gegeneerd, maar hij kon helaas niet terug, en hij zei het dan toch: ‘love.’

Marcel was er hevig van gepakt. Hij keek Al geroerd aan, legde z’n arm om hem heen terwijl ze voortliepen, deed z’n mond open zodat er een kegeltje alcoholdamp uit schoot en Al in het gezicht trof, en zei: ‘Yes, love!’‘Love.‘ Al begon het nu zelfs graag te zeggen.

‘Love. Bot white ontil we’s done our round.’

‘White? Whot for?’

Marcel antwoordde niet.

‘Where is we gonna do our round?’

‘In Whammle, of course.’

Nu stond Al stil. Hij voelde zich benauwd.

‘Oll of Whammle?’

38.

 

Whammle kende hij. Hij woonde er al in de zeventig jaar. Hij zag heel Whammle al voor zich. Deep Whammle. Bongalow Whammle, de duizenden hoge seniorensilo’s met balkonnetjes vol bloempotten en oudjes. Supercentenarians, die stuk voor stuk elke morgen nog met stok en hondje per se het zebrapad op wilden. Bicentenarians met sleutelhonden die alleen op stap moesten omdat baasje geen knieën meer had. Doorzichtige tricentarians met vaste leidingen voor wat er in en uit moest, die gelukkig allemaal vastgebonden zaten zodat ze geen lift meer konden blokkeren en die Godzijdank niet meer wisten wat rekeningen waren, maar er elke maand wel serieuze bleven binnenkrijgen. Gelukkig maar, want als er iets het Brosselse rijk de hoogste levensstandaard ter wereld had gegeven was het de A Thousand Years Young -industrie met z’n duizenden dure antwoorden op duizenden noden van een alsmaar groeiende extreemrijpe bevolking. Hou ouder de oudjes en hoe minder ze wilden weten van doodgaan, hoe meer de senior-service-industrie eraan verdiende. En makkelijk, want rekeningen natellen, daar werd je zo moe van als je tweehonderd was. Elke morgen stroomden bussen geautomatizeerde osteopaten, voetmasseurs, opticiens, kappers, pedicures, behangers, schilders, bloemisten, poepscheppers, vliegende apothekers, tegelaars, meeneemchinezen, tuinmannen en poetsvrouwen Deep Whammle in met bestelwagens vol taart met slagroom maar zonder suiker, thermo-ondergoed, hoorapparaten, luiers, pantoffels, bollen saai, bontjassen, anti-rugpijnfauteuils en diesmeer en ’s avonds stroomden ze Deep Whammle weer uit. Het hield nooit op, en iemand moest al die facturen bezorgen.

‘Os?’ riep Al verschrikt. ‘Is we gonna have to deliver thousands of invoices?’

‘No!’ zei Marcel vlug.

Anderzijds. Ook al waren de mensen nu door de band zo ontrouw, zo ijl van hoofd of gewoon zo verbijsterend ontoerekeningsvatbaar dat ze volstonden met e-post voor hun contacten, ook al wou er gelukkig maar hier en daar iemand, zegge twee-drie op de duizend, echt z’n post op papier, het bleef een pak werk om hun correspondentie te bestellen. Stel je voor: Whammle strekte zich uit van hier tot op de zeedijk bij Tree. Er woonden miljoenen ouwe kakkers. En al evenveel honden, die ook vaak post kregen, want dikwijls moesten ook zij een kaart krijgen met gelukwensen voor hun verjaardag, of gedocumenteerd worden betreffende hun huwelijk of scheiding en later hun overlevingspensioen dan wel alimentatie. Niemand die hen dat niet gunde. Als vrouwen, andersgekleurde mensen en gelijkgeslachtelijken mettertijd en terecht met de evolutie van de geesten hun legale gelijkberechtiging hadden mogen

39.

 

verwerven, waarom honden dan niet? Of mochten honden gediscrimineerd worden omdat ze stom waren? Op vier poten liepen? Grote aantallen oudjes vonden in elk geval van niet en waren met hun huisdier getrouwd. Wat kon daar overigens op tegen zijn als het om ware liefde en een duurzame relatie ging? Sommige oudjes waren zelfs getrouwd met hun broodrooster of magnetron. Maar die laatsten kregen gelukkig geen post.

‘Oll of Whammle?’ vroeg Al weer.

‘No, just Gerinium Pot,’ zei Marcel, nog vrolijk van de Hoog.

‘Gerinium Pot!’

‘Yeah. Noice nighbourhood.’

‘Oy knows! Oy lives there moyself with pa and ma.’

‘You does? Fantastic! Mr Fred wonts os to work hard on our personal relitionship with our recipients. You can work on it oll die long then!’

‘Yeah.’

marcel-en-al-op-postronde-oi-frame.jpg‘Jost wotch out for the shoite.’

Al voelde zich nog lekkerder. Werk in eigen biotoop! Het leven begon hem te bevallen. Wat kon het soms van het ene op het andere moment verschrikkelijk hard omslaan!

Marcel hield halt bij het begin van de straat, haalde diep adem en zei trots: ‘Loilac Line!’ Hij lichtte z’n pet. ‘Lift your cap, Al.’

Al lichtte z’n pet.

‘Good die, Mrs Chimney.’

‘Good die, Mr Morren. Good die, young man.’

40.

 

 

Ze wachtten tien minuten tot mevrouw Chimney (140) met haar dikke tekkel en een discrete PO voor kunstogen het zebrapad op gestrompeld was, zetten hun pet weer op, en liepen kordaat de straat in. Loilac Line leek als twee druppels water op Droid Fruits Street. Dezelfde twee types bongalow. Wel in bollen gesnoeide gleditsia’s in plaats van Japanse kerselaars, maar Al voelde zich onmiddellijk thuis. Hij voelde zich ook uitstekend in z’n uniform. Donkerblauw, rood biesje, nog opwindend scheikundig ruikend en een scherpe vouw in de pijpen die riep om discipline. Hij liep dus nauwkeurig in de pas met Marcel met z’n posttas op z’n buik, al slaagde hij er niet in even pompeus te kijken. Ze liepen met een verrukkelijk lichte tred want zoveel brieven zaten er niet in hun tassen en Al floot met Marcel het deuntje mee van the Bridge over the River Kwai.

‘Jost wotch out for the brown stoff.’

Zeker. Het was nog vroeg maar honderdduizenden ouden van dagen hadden hun lieverdjes al uitgelaten om de trottoirs, grasperken en plantsoenen vol te schijten. De shoite shift services waren nog niet gepasseerd, dus de grond lag rijkelijk vol. Hoge hopen vette vraag- en uitroeptekens. Hete dampen. Stank. Je wist vaak niet meer hoe je verder moest op het trottoir. Niks verkeerd aan, want economisch zéer verantwoord (xvi), en met wilskrachtig focussen slaagden ze erin om zonder vies aan hun schoenen tot bij hun eerste bongalow te komen.

Ze stopten, Marcel haalde met een geoefend gebaard een brief uit z’n tas en keek Al aan.

‘A postman’s loife is the most beautiful thing in the universe.’

‘Really?’

‘Yup. That’s whoy there is millions of them!’

‘Really? Millions? Oy thought they was slowly doying out.’

Marcel was even van z’n stuk. Maar dan riep ie: ‘No! They isn’t! Who told you so?’

‘Nobody.’

‘Ah. There you is! Of course, when Oy sighs millions, Oy’s counting the postmen of the whole world. And the secret ones.’

‘Secret ones?’

41.

 

‘The secret postmen. Never heard about them? Of course not: they’s secret! Anywhy there’s thousands, no, probably millions of ordinary people, courageous men and wimmens of oll wocks of loife, oll over the world, secretly vowed to serve humanity jost loike the postman does.’

‘Doing whot?’

‘Eh. Lots of stoff.’

‘Whot?’

‘Eh. It’s secret. Being amenable, Oy imagines. Being neat. Restoring the world to whot it was before it went to the dogs.’

‘Restoring the world?’

‘Yeah. Tike them pivements. Does you loike oll that dog shoite oll over the plice? Well, we postmen hites it, and we’s gonna hite it till the end. And so does millions of secret postmen. Solidarity is their weapon. They has secret soigns they chocks onto wolls, a special hand shike, special vocabulary. They stie at one another’s home, hiting dog shoite. They travels at noight. In secret.’

‘So my be everybody is a secret postman?’

‘Yeah. Problem is they’s so secret they even doesn’t know one another. So secret nobody knows how many of them is around.’

Marcel hield z’n mond krachtig. Hij wou zeker niet meer praten over geheime postbodes. Of vond ie vervelend dat ie in z’n geestdrift afgeweken was van het commercieel correcte standpunt dat hondenstront nuttig was? Dat ie gezinsspeeld had op breed ondergronds verzet ertegen, waar publiek iedereen deed of ie hondenstront best lustte, zelf al die klanten van de post?

Ze liepen vijf minuten in stilte. En toen kon ie z’n mond niet meer houden.

‘Did you know,’ zei ie trots, ‘we postmen here goes back in a stright loine to the grite dies of the real post office hondreds of years ago?’

‘No.’

‘Did you know we chats and drinks tea with every recipient, jost loike then?’

42.

 

‘No.’

‘Did you know we never bongs letters into letterboxes? Did you know we goes and delivers each of them into the adressee’s hands?’

‘No. Whoy?’

‘Respect. And Parkinson.’

‘Parkinson?’

‘Parkinson’s law. You’s got to expand your work to fill the toime needed to execute it. And you meets most special folks. Most gratifoying. Oy’s got this letter for prince Bocko for example.’

‘Prince Bocko?’

‘Prince Bocko indeed!’

Marcel stak de brief triomfantelijk in de hoogte en liep er deskundig een pad van klinkers mee op naar een enigszins bohémienachtig verwaarloosde bongalow type B toen angstwekkend gegrom hem deed verstijven. Al draaide mee om z’n as en ze staarden in een bek vol blikkerende tanden.

‘Edgar,’ zei Marcel toonloos.

Een monster dat tot z’n schouders reikte versperde het pad en Al zag van nabij de gele hoektanden, kiezen en kwijl die op grote trek wees. Een vreselijk schouwspel.

‘Don’t move!’ mompelde Marcel, ‘move, and he boites os to death!’ En daar stonden ze, versteend van schrik, tot Marcel toch vooruitwankelde omdat een gezette meneer hem onder z’n gat trapte.

‘Ow! Ow!’ Marcel lichtte z’n pet en kreunde. ‘With due respect Your Majesty, Oy’s got this letter for you from Queen Eclair!’

Meneer hield op en keek waardig. Hij droeg een verfomfaaid pak en vier op het eerste gezicht gouden horloges. Z’n polsen zaten er van vol.

‘Prince Bocko!’ fluisterde Marcel, terwijl de prins probeerde de voordeur van de bongalow elegant open te trekken. Het lukte niet meteen want ze zat klem, maar even later zaten ze toch in de canapé in het salon terwijl de prins vrijgevig oude

43.

 

koude thee inschonk.

‘Sorry about the smell, jost ignore them.’

‘Ignore whot?’

‘Ignore whot Your Majesty!’ zei Marcel streng.

‘Ignore whot Your Majesty!’

‘The visiting princes.’

Om ze heen op het tapijt lagen slecht geschoren figuren te snurken. Mansmensen in gescheurde slaapzakken en honden zonder. Aan de muren afbeeldingen van nog meer honden. Ze begonnen zachtjes te blaffen en Al keek er snel weer van weg maar de prins keek hem al gretig aan of ie klaar was voor een portie lof.

‘Yours?’ zei Al dus maar, ‘eh, Your Majesty?’

‘Moy dad’s.’

‘Prince Woof,’ fluisterde Marcel.

‘He loves dogs so motch!’ zei prins Bocko met een weeë blik. ‘And so does Oy. Dogs is so incredibly loyal.’

‘They is, Your Majesty!’ zei Marcel.

‘And incomprehensibly sweet.’

‘Indeed, Your Ma – ‘

Marcel versteef. Edgar stond in z’n nek te hijgen. Edgar en de prins keken elkaar aan, en overmand door affectie legde de prins een beringde hand op Edgars kop en wreef liefkozend. Na een poos trok hij z’n hand terug en knikte uitnodigend naar Marcel. Edgar gromde dreigend, maar Marcel legde z’n hand moedig op Edgars kop en wreef.

‘Noice palace, uh?’ zei de prins tegen Al.

‘Grite plice, Your Majesty.’

‘It’s our Brossels bise. We’s got to fullfill our role with oll splendour requoired. Of course there’s Rolls oll over the empoire, even outsoide, bot this is where we

44.

 

concentrites. That’s whoy you sees oll them princes in bags at your feet. As a matter of fact, some very fimous Rolls has slept here. Heard about Queen Betty?’

‘No.’

‘Queen Betty of East-Murky?’

‘No.’

Er schoof een schaduw van misnoegen over het gezicht van de prins en Al riep vlug: ‘Oh, Queen Betty!’

‘Yeah. More than two hondred, bot she was here! Long ago, that is. Whot a woman! Mad about dogs too.’ De prins keek Al indringend aan. ‘Is you in trouble with them?’

‘With whot?’

‘Wimmens.’

‘No, Your Majesty.’

‘Ah, too bad, for Oy’s got good advoice for dealing with them.’

De prins keek of ie een machtige pointe in petto had en Al keek gedienstig belangstellend,maar de prins grijnsde en zei: ‘Let me tell you when you is in trouble.’

Wat stom. De prins gooide bij het zien van Als teleurstelling z’n hoofd achterover, schoot in een bulderende lach, en Al en Marcel bulderden mee. Terwijl de prins voldaan naar z’n thee greep, veerde Marcel weg van Edgar.

‘Sorry Your Majesty, duty colls. Oy’d be most obloiged if you keeps Edgar insoide ontil we’s gone.’

***

‘Whoy did that bloddy brute kick you?’ zei Al op het trottoir.

‘Brute?’ Marcel wreef kwijl weg met z’n mooie lichtblauwe postbodenzakdoek. ‘Oy was most honoured! They ollwhys kicks you, Rolls. We ventured onto his premises without permission, didn’t we? Grite goy, Bocko, loike his dad. Ever met Prince

45.

 

Woof?’

‘No.’

‘Queen (xvii) Eclair, his woife, once asked him to choose: her or his dogs, and he chose his dogs. Whot a man! Didn’t need no diploma. Never got one oither. Had others mike his home work at school. And now to good old Mrs Vinnie.’

***

Door de schuld van een architect voor wie niets onmogelijk was, zaten er drie hele flats in deze bongalow gepropt en moesten Marcel en Al de trap op tot in de nok, maar voor Marcel was het zichtbaar een werk van liefde. En nu stonden ze lichtjes gebogen onder het lage dak boven aan de trap. Marcel lichtte z’n pet en veegde tevreden z’n voorhoofd droog.

‘She never opens her door!’ zei ie trots. Hij klopte aan. ‘Mrs Vinnie?’

mrs-vinnie-in-de-kier-grijs-photogenie-oi-frame.jpg‘Whot is we doing here then?’

‘Except for me. Mrs Vinnie?’

Hij legde z’n oor tegen de deur en bleef kloppen. Geschuifel, gerinkel van een sleutelbos.

‘Mrs Vinnie?’

De baard van de sleutel het deurslot ging met een klap om, de deur op een kier en mevrouw Vinnie bleek, voorzover zichtbaar, want Al zag niet meer dan een wantrouwig nijdig oog en pantoffels met reuze roze pompoms, een stukje heks met vrij scherpe hoeken waar je je erg aan kon bezeren. Ze reikte niet hoger dan de deurklink. Al vermoedde een hoge dozage aan kabouters bij haar voorouders. Dan werd het oog milder en de kier breder. Een geur van waarschijnlijk giftige boenwas brak naar buiten en sloeg Al in het gezicht.

‘Marcel!’ riep mevrouw Vinnie met een hese mannenstem.

‘Yes, Mrs Vinnie. Can Oy have your letter? One for Mrs Romy or one for Miss Gerrie?’

46.

 

‘For Mrs Romy, Marcel.’ De deur ging helemaal open en massaal honds gepiep vol verlangen werd hoorbaar. ‘Bot where is it?’

Marcel en mevrouw Vinnie zochten in het halfduister tussen de menigte gedroogde rozen, potjes met pillen en fotolijstjes op het boudoir. Er leunde een leger brieven tegenaan en Marcel controleerde routineus éen voor éen de adressen, maar hij kende ze al allemaal, soms zelfs al jaren, brieven gericht aan mevrouw Vinnie zelf. Het gepiep kwam van een dozijn kiekjes van poedels en het werd nog doordringender zodra ze Als blik opvingen.

‘Good die, Marcel,’ zei een stem luid om boven de poedels uit te komen.

‘Hollo, Mrs Romy!’ zei Marcel opgewekt en hij lichtte z’n pet naar een foto van een stuurs bol vrouwspersoon met froufrou die het vermoedelijk in het geheim dikwijls deed met wafels met slagroom. Of met grote gedrapeerde gordijnen.

‘Hollo, doc!’ zei Marcel naar de foto van een opa naast haar.

‘Hollo Marcel!’ zei opa krakerig. Z’n ogen glommen als biljartballen. Of ie uitgehongerd was. Of ving. De foto was oud en de chip erin hoorbaar bijna naar de kloten.

‘And hollo, Gerrie.’

‘Hollo Marcel,’ zei Gerrie. ‘And hollo?’ Ze viel stil. ‘Who is this young man?’

Ze keek Al recht in de ogen en hij hoorde hoe er zich een kreun losmaakte uit z’n keel. Te laat, hij kon hem niet meer terugroepen! Marcel en mevrouw Vinnie hadden hem gehoord en keken hem vreemd aan en hij schaamde zich diep.

‘Me?’ riep ie vlug om hem te doen vergeten, maar hij was de controle alweer kwijt over zichzelf. Hij zonk weg. Hij verloor bijna het bewustzijn want Gerrie leek geweldig op mevrouw Romy, maar zonder froufrou dan en zo flink! Als mevrouw Romy twee keer zo groot was als mevrouw Vinnie, dan Gerrie weer twee keer zo groot als mevrouw Romy! Mooi hoe van generatie op generatie de mensheid er op vooruit ging, en toch zo onberoerd, jong en mild bleef. Nog zo open! Nog niet exclusief aan de wafel! Dat hoopte hij alleszins, want een groots verlangen overrompelde hem, een weemoed zo heerlijk, van hier tot daar, zich als een enorm hogedrukgebied strekkend over berg en dal, continent en oceaan, een weemoed zo groot dat ie hem

47.

 

niet bevatten kon (xviii). Naar wat verlangde hij? Naar wàt? Hij kreeg plotseling een vermoeden en keek snel weg om haar blik niet te moeten ondergaan. Hij was na twee seconden nog niet klaar voor dit of dat met haar. Zeker niet met Marcel erbij.

‘Marcel,’ zei Gerrie, ‘whot’s his nime?’

‘Al, Mrs Gerrie.’

Marcel grinnikte. Lieve help, stond ie Al uit te lachen?

‘Al?’ Gerrie glimlachte. Ze glimlachte verrukkelijk. ‘Whot a noice nime! And whot noice hair he’s got! Oh, look, there it is, gran, your letter!’

Hij zat gewoon in oma’s schort.

Mooi haar? Had ie mooi haar? Al vroeg het zich vertwijfeld af op de trap naar beneden. ’s Morgens voor de spiegel, als de angst hem aangreep dat de scheiding in z’n haar weer mislukt was en hij even keek met een tweede spiegeltje, trof hem altijd pijnlijk hoe dun het vanachteren was. Als er iets weerzin wekte, dan haar dat ouwe kakkers op hun slapen vijftien centimeter lang lieten worden om het over hun kale kop heen te kunnen schikken (xix). Daar wou hij nooit aan beginnen! Of toch? Want wat deed een mens uit wanhoop niet voor een vrouwmens?

Waarom zei ze dat? Hield ze hem al even hard voor de gek als Marcel? Nee, misschien wou ze hem alleen maar vriendelijk plagen. Omdat ze hem echt leuk vond. Of misschien had ze hem alleen van voren gezien en daar zag ie er nog uitstekend uit en dan meende ze het dus echt. Misschien dacht ie alleen maar dat ze met hem lachte omdat ie zich zo onzeker voelde. – En zij zelf zei het niet. Alleen die voorgeprogrammeerde foto.

‘Marcel!’

‘Eh?’

‘The letter!’

Marcel grijnsde alweer. Het was grijnsdag vandaag. ‘The letter?’

‘Wasn’t that Mrs Romy’s door jost now? Hasn’t we jost passed it?’

48.

 

‘Yeah. Bot whoy doesn’t we mike a mistike?’

‘A mistike?’

‘Let’s deliver it to the wrong person.’

‘To the wrong person?’

‘Yeah! Sometoimes wrong is roight! Let’s deliver it.’ Hij keek Al strak aan. ‘To Gerrie!’

‘Gerrie?’

‘Yup.’

Al was terstond nerveus. ‘Whoy?’

Om die vraag moest Marcel mateloos lachen. ‘Oh, you knows,’ zei ie dubbelzinnig. ‘Teaches you the tride! Let’s give her the letter. No, you gives it!’

En daar stonden ze daadwerkelijk voor haar deur en Marcel drukte op haar bel. Al voelde een grote genegenheid voor hem opwellen in z’n gemoed. Hij begon deze mens te appreciëren! Toegegeven, Marcel was oud, van een andere generatie, hij zag er wat verkaasd uit en hij was veel te veel bezig met al dat haar op z’n hoofd, maar hij bleek nu toch ook echt een superpostbode te zijn: wat een scherp observatievermogen! En wat een zin voor communicatie! Als alle postbodes waren als hij, en waarschijnlijk waren ze dat, dan, moest hij erkennen, waren ze de elite van de mensheid. Maar wat moest hij, Al, pas beginnend postbode, intussen tegen Gerrie zeggen?

Hij kreeg geen tijd om Marcel raad te vragen, want, zwiep, Gerries deur ging open, veel sneller dan die van haar oma, en terwijl hij de brief tussen duim en wijsvinger op en neer woof en koortsachtig zocht naar woorden, glimlachte Gerrie hem onderzoekend aan. Zij zelf!

Zij zelf, in een etherisch zachte gloed. In een smaakvolle satijnen peignoir. En van die vreselijke klepperende houten gezondheidssandalen waar een mens z’n enkels in breekt maar waarvan het riempje aan de zool vast zat met zo’n te benijden pen tussen haar blote dikke teen en de andere door. Telkens als ie een vrouwmens zag met haar totaal blote voeten in van die sandalen, voelde hij zich éen met de pen. En

49.

 

nu zoals nooit tevoren! Hij begon te zweven.

Ze was nog echter dan op de foto. Groter. Ze glimlachte serieus. Ze wou niet met z’n voeten spelen en dat ontroerde hem. Ze bracht respect op voor de postbode in hem. Het effect van z’n keurige uniform waarschijnlijk. Ja, het was goed postbode te zijn!

‘Yes?’ zei ze.

‘Gerrie,’ zei ie.

‘Yes?’
‘Ow!’

Hij voelde een stekende pijn in z’n rechterbil en keek om. Een wit-zwart gevlekt hondje wiebelde twintig centimeter boven de vloer heen en weer. Het hing aan z’n bil en bleef hardnekkig doorbijten met een donkere blik van ‘this is moy woman!’

Al was het dier dankbaar want hij hoefde niet langer gevat voor de dag te komen en de situatie liep nu als het ware vanzelf door.

‘Keekee!’ riep Gerrie.

‘Off!’ zei Marcel.

Hij wist dus ook hoe je honden moest aanspreken en Keekee liet los, viel op de grond, veerde weer op en beet nu Marcel meedogenloos in de broek, maar Marcel bewaarde z’n sans-froid en zei waardig zonder zich wat van Keekee aan te trekken: ‘We’s got a letter for you, Mrs Gerrie.’

‘Oh, has you?’

Marcel staarde Al aan en Al begreep. Het lukte hem de brief in Gerries hand te leggen, op automatische piloot, want het volgende ogenblik stonden hij en Marcel bij haar in haar halletje en hij kon zich niet herinneren hoe dat was gegaan. Ze waren niet alleen, voelde hij. Hij keek om – in twee uitpuilende ogen, en deinsde achteruit. Het was deze keer niet opa maar een terracottakrijger op ware grootte uit Middle Murky, mond opengesperd en piemel klaar. Hij gaf geen kik, al was het hart hem uit de borst gerukt. Vandaar die ogen (xx).Erg kunstzinnig. Hij hield een grote vierkante bak in de hoogte. In de bak een kartonnen doos, en in de doos verse moorkoppen. Blijkbaar at Gerrie graag en massaal moorkoppen, blijkbaar had ze er

50.

 

pas bij de bakker gehaald, en blijkbaar had ze de doos snel even in de handen van de terrracotta kerel gelegd omsnel de deur te kunnen opentrekken, maar Al had geen tijd voor moorkoppen. Alleen voor Gerrie. Hij keek snel weer naar haar. Ze stond op hem te wachten.

‘Thanks,’ zei ze, ‘thanks? ‘

‘Al,’ zei Marcel.

‘Al,’ zei Al.

‘Al,’ zei Gerrie.

Toing!

Hoe ze ‘Al’ zei! Zo innig. Zo vertrouwelijk. Zo van ziel tot ziel. Z’n hart sprong ervan op en hij viel omver, tegen de krijger aan. De krijger viel om, Marcel en Gerrie sprongen nog lenig vooruit om hem te redden, maar evengoed gingen Al en de krijger zonder pardon tegen de balatum.

‘Oh no! Poor Carlos!’

al-very-happy-oi-frame.jpgEen vreselijk gezicht, moorkoppen waar de vulling uitpulkte over de vloer, de terracottakerel in drie, vier stukken (hij gaf wel nog altijd geen kik), Marcel onthutst met de kop van de kerel in z’n handen, en Al, verscheurd door tegenstrijdige gevoelens, in die van Gerrie. Dat laatste was duidelijk een vergissing. Gerrie had nog niet goed door wat ze vasthield, aangedaan als ze was door het verlies van terracotta Carlos. Ze had hém willen redden, dat begreep Al ook maar intussen was haar boezem tegen zijn gezicht een groot geluk (xxi). Anderzijds verging hij van de angst dat ze nu nooit meer van hem ging willen weten. Ze staarde naar de scherven. De gloed waarin ze daarstraks de deur had opengemaakt pulseerde er etherisch over heen en

51.

 

weer. Hij kwam uit het salonnetje.

‘Oh Carlos, how terrible!’ mompelde ze.

Marcel legde de kop van de krijger voorzichtig op de paraplubak en kreunde met haar mee. Want wat een schande voor de post! Stel je voor: hij introduceert goedhartig een nieuwe jonge collega en de hark verwoest onmiddellijk het huis van een klant! Hij moest van alternatie gaan zitten, keek rond en zag een stoel. Industriële antiek, alleen bedoeld, al de stoel geen piemel, om zoals Carlos grote indruk te maken op bezoekers, maar Marcel zat erop neer en plette Keekee even tussen hemzelf en stoel. Keekee piepte, het zat te moeilijk en Marcel stond weer recht.

‘Al! You twit! You clomsy twit!’ riep ie, terwijl ie Keekee lostrok van z’n bil en boos op de stoel neerplofte zodat ie in de rug van die stoel kon bijten, even wat anders, ‘sigh you’s sorry! Sigh sorry!’

‘Of course,’ zei Al, ‘Gerrie?’

‘Yes?’

‘Is you free tonoight?’

Marcel keek verbaasd op. En Gerrie nog meer. Al was trouwens ook verbaasd. Wat vroeg ie nu? Hoe durfde hij? Had ie dan geen enkel besef van het leed dat haar was aangedaan?

‘No!’ zei ze.

Ze merkte nu dat ze hem nog altijd vasthield, deed haar armen open en hij viel weer op de linoleum.

‘Ow!’

Wel, hij mocht pijn hebben! Die arme Carlos die daar nu zo treurig, zo kapot op de paraplubak lag was een souvenir aan opa. Cadeau van een collega geneticus aan opa. Teken van diepe erkentelijkheid. Maar oma vond z’n piemel te groot voor haar huis en opa schonk Carlos aan Gerrie. Zo lang geleden. Toen alles nog goed was. Ze werd er weemoedig van. Haar opa. Opa, de enige. Opa die alles kon. Hoe lang al weg? Sinds toen was ze zo lief voor Carlos als vroeger voor opa.

Maar Al leek zich op de vloer niet bewust van pijn.

‘No?’ zei ie. ‘Oh. When is you?’

52.

 

Die arme Al. Hij wist het zelf niet, logisch, want hij had er geen ervaring mee, maar hij zat nog altijd in automatische versierdersmodus. Hoe bedremmeld hij het ook zei. Wat hem dreef moest wel een grote zij het nog onbewuste passie zijn.

‘Never,’ zei ze.

‘Never?’

‘No.’

‘Oh.’

Hij klom recht en een groot verdriet overviel hem. En wat het allemaal nog veel erger maakte was dat Gerrie hem nu nog méer aantrok. Goh, waarom? Hij keek Keekee onbegrijpend aan.

Keekee begreep het wel op z’n stoel. Hij hield ook veel van haar en leed op dit ogenblik graag en veel uit liefde. Hij hield van hoe ze née zei. Van haar hoge eisen.

Van hoe ze hem kon geselen met z’n leiband als ie stout was. Hij werd er geil van zodra hij eraan dacht. En nu probeerde die postbode zich bij haar binnen te lullen! En, gatver, Gerrie zei nee tegen hém in plaats van nee tegen Keekee! Hij zag in gedachten al hoe ze die onbeholpen onnozelaar geselde, en beng, het werd hem rood voor de ogen. Hij kon zich niet meer inhouden en hij beet de postbode in z’n been.’Ow!’

‘Keekee!’ riep Gerrie.

Ze keek hem streng aan en hij liet dadelijk los om hoopvol te gaan zitten hijgen met z’n tong uit z’n bek, maar tot z’n teleurstelling draaide ze weer naar de postbode.

‘Oh Al,’ zei ze, ‘please excuse Keekee. He’s so proproiatory! Let’s bring him back to mommy where he belongs.’

Waarom vroeg ze Al die stomme hond te excuseren? Betekende Al dan toch wat voor haar? Was ze al vergeten hoe hij haar net pijn had gedaan? Vond ze hem onbewust toch sympathiek? Z’n schuchterheid, z’n jeugd? Had ze ondanks zichzelf te doen met hem als slachtoffer? Had hij te maken met gewone hormonaal bepaalde vrouwelijke zorgzaamheid die door een bepaald hem onbekend signaal wakker werd en die nu ontketend haar gang ging al bleef mevrouw zelf blind voor het voorwerp van haar attentie? Zoveel vragen waarop Al geen antwoord wist, maar hij kronkelde bij wijze

53.

 

van proef extra, en met goed gevolg, want ze greep met haar hand naar z’n been en voelde eraan. Heerlijk.

‘Oh, it’s still there,’ zei ze.

‘Whot?’

‘Your leg.’

Al moest toegeven van wel. Ze stond recht.

‘Let’s go to mommy. That letter’s for her, boy the why.’

‘Oh, is it?’ zei Marcel onschuldig.

***

Ze klommen de trap op. Al iets langzamer, zodat hij in alle ingetogenheid Gerries benen in ogenschouw kon nemen. Keekee zag hem kijken en was het er baarblijkelijk niet mee eens, maar Al trok zich geen barst aan van z’n vlammende blik. Het was al erg genoeg dat Gerrie Keekee droeg en niet Al!

***

Te oordelen naar de geur die uit haar flat en haar mond kwam, gebruikte mommy een erg werkzame allesreiniger met azijn. Ze was erg proper. En beslist.

‘You naughty one!’ zei ze.

‘Sorry, Mrs Romy,’ zei Al deemoedig.

‘Quoiet, you! Oy was tocking to Keekee.’

Ze drukte Keekee tegen haar boezem. En Gerrie. En Al. Z’n ribben kraakten.

‘Ow!’

‘Whot?’

‘Nothing, Mrs Romy.’

‘Sit!’ zei ze en ze zaten.

54.

 

‘Tea!’

Gerrie naar de keuken.

‘Oy hopes Oy’s still got something,’ zei mommy en ze vond een grote blikken doos suikerwafels in de buffetkast. Er hing een rekje vol protserig ingelijste foto’s boven. Keekee als jonkie. Keekee ouder. Keekee in gebreid truitje. Keekee met taart op z’n verjaardag. Keekee dit en Keekee dat. Al durfde er niet naar kijken. Hij was bang dat ze allemaal samen zouden beginnen te piepen, maar mommy bleek alleen al even hard te toeteren. Ze nam het woord en gaf het niet meer af en hij dronk en at en was voldaan dat hij heel de tijd in de sofa op vijf centimeters van Gerrie mocht zitten. En toen hadden hij en Marcel hun wafel op en mochten ze gaan.

***

‘Bad woffle!’ zei Marcel op straat. Hij huiverde. ‘Bad bad bad!’

‘Yeah.’

‘Been gathering mould in that box for years.’

‘Yeah.’

‘A postman’s job is a libour of love.’

‘Mmmm.’
‘Sometoimes a lot more libour than love.’

‘And yet,’ zei Al, ‘Oy does loike doing postal rounds!’

Marcel keek aangenaam getroffen op. ‘You does?’

‘Oy thinks Oy wonts to go on doing them for the rest of moy loife!’

‘Ah?’

‘Yep. At least as long as Oy can deliver letters to Gerrie.’

Marcel grijnsde.

‘Oy bets you does! Oy really enjoyed it.’

55.

 

‘Enjoyed whot?’

‘How you handed Gerrie that letter. Marvellous technique. Lovely. Ah, nothing beats handing over a letter for intimacy and personal totch. And whot it can lead op to! Handing over letters is one of the beauties of a postman’s loife. Still. It’s not oll kikes and ile. There’s one thing Oy’s got to warn you about. The ever present danger whiting behoind every corner and every bush. Hey! Al? Al?’

‘Mmmm?’

‘Is you listening?’

‘Whot?’

‘The danger awhiting postmen oll the toime. Ever heard about it?’

‘Eh?’

‘You knows whot it is?’

‘No.’

‘Dogs!’

Marcel wachtte even om te zien of hij indruk maakte. Hij hoopte bij God van wel, want wat hij wou toelichten was van het hoogste belang voor elke aankomende postbode, maar Al was helaas elders met z’n gedachten. Ver, ver weg. Hij vertoonde de dwaze glimlach der verliefden. Marcel keek zorgelijk.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

56.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s