Is that a rabbit?

Waarin …

De laatste echte snelweg lag al lang achter ze, maar ze reden beslist in de goeie richting, want ze passeerden al heel wat plekken zonder naam, voornamelijk bestaande uit gras, en ja hoor, straten die Ulica heetten vonden ze ook al bij de vleet, heel verblijdend. maar de eerste dag vonden ze er evengoed geen enkele met een nummer 117. Je mocht jezelf trouwens al gelukkig prijzen als er al huizen zondermeer langs die straten stonden.

‘Grite!’ zei Al. ‘Mikes things easy. We’s gonna see his hotel from afar.’

Prins Woof had z’n email voor Queen Eclair van bij meneer Dickitscht naar een Hotel Noice View gestuurd.

‘Well,’ zei Bing, ‘Oy wonders, is there gonna be hotels at oll here if there isn’t even houses?’

Nou nee dus. Dag twee nog minder huizen, geen enkel hotel. En die stoppelbaard begon Al en Bing te vervelen. De hele situatie (lx). Al zuchtte.

‘Oy wishes Oy was still in Brossels City.’

‘You still is, stupid.’

‘Still in Whammle.’

‘Yeah. Oy wishes Oy could tike something out of ma’s fridge.’

‘Oy wishes Oy was in moy own bed.’

Ach, je eigen bed! Ze zwegen. Ze waren ver van alles, en, wat ze niet zeiden, ver van Gerrie. Gelukkig, dacht Al, viel Bing wel mee. Zolang ie aan het stuur zat, had ie geen streken. Zolang ie in de DS zat, kon ie Gerrie niet afpakken.

‘Thanks, Bing!’

‘Whot for?’

352.

 

‘Oh, nothing.’

Ze waren al twee bijna niet te overschouwen langzaam kronkelende grijs golvende stromen overgestoken en stonden nu op een antieke oker geschilderde veerboot die langzaam met een op het eerste gezicht nodeloze grote bocht naar de andere oever van de derde paddelde. Ruilhandel was hier regel. Voor 5 chippolata’s per persoon mochten ze over.

‘Whot is them tracks, Bing?’

‘Tracks?’

Diepe sporen volgden het water op de oever. Het antwoord kwam de derde dag bij de volgende stroom in de vorm van een gezelschap van baarden in lompen en laarzen dat een boot vol ontschorste boomstammen moeizaam aan een touw door het spoor voorttrok. Er wachtte nu ook nog een bestelwagentje overladen met koperen schotels en diverse huishoudelijke artikelen in het slijk op het vlot dat Al en Bing naar de overkant zou brengen, en voor éen pak koffie in de pet van baard nummer éen vanwege de vette chauffeur van de bestelwagen zongen de baarden uit volle borst een a capella lied. Met uitzondering daarvan was de beschaving schaars geworden. Er vloog nog wel consumenteninformatie mee, maar steeds minder voor echte cultuur (vliegreizen naar stranden met sappenbars, middelen om in eén week twintig kilogram af te vallen, Zen Musicals On Oice) , en meer voor klemmen om mollen te vangen, hokken voor zwangere zeugen, gietijzeren wasmachines, hangsloten, rookworst, wit brood, zout in pakken van vijf kilogram, kortom de eerste nooddruft. Zo goed als geen consumenteninformatie voor honden. Ze werd ook alsmaar kleiner, de consumenteninformatie. De DS reed in een wolk dwarrelende rommel. Maar ach, wat heeft een mens aan cultuur als z’n eerste behoeften niet kunnen beantwoord worden?

‘Oy’d really really loike to sleep in a bed,’ zei Al.

‘Pitience, man.’

‘And shive!’

‘As soon as we gets to Hotel Noice View, we’s gonna sleep and shive loike hell.’

‘Yeah.’

353.

 

Ze hadden al duizenden kilometers achter de kiezen. Bing had het reservebrandstofstickje uit het handschoenvakje al moeten inzetten. Eén dag was er een zwarte VMH (lxi) met hond aan het stuur een half uur boven ze komen hangen, maar hij verdween weer zonder meer. Ze reden nu al zo lang dat de DS tot de nok vol zat met duidelijk te onderscheiden lagen vieze lucht. Lucht van maagzuur, van in staat van ontbinding overgegane chippolata en van stiekeme langzaam gepercoleerde scheten. Ze reden al zo lang dat de uitputting, wanhoop en woede om de zinloosheid van het bestaan ze ertoe bracht beurtelings ‘fock fock fock!’ te roepen. OK, puberaal, maar de bedoeling was goed: het samenleven leefbaar houden.

Even werd de bewoning dichter. Ze passeerden uitgebrande of uitgewoonde maar toch even goed nog hartstochtelijk bevolkte flatgebouwen met was en kachelhout op elk balkon, maar de stedelijke sprawl verdunde weer snel tot links en rechts vlaktes pijpenstrootjesgras en oneindige berkenbossen. De wind droeg bevreemdend geroep aan uit de verte: ‘Gagagagagagaga,’ de ene keer oorverdovend, om tureluurs van te worden, de andere vaag, aanvaardbaarder, als een massief spreekkoor op kilometers afstand. Maar ze waren recent geen stroom overgestoken, het was dus geen koor van baarden. Het oosten rook ook anders. Meestal overwoog in het bouquet de scherpe stank van een na een winter gisten net opengebroken silo voerbieten op de poëzie van droog gras. Soms zat er iets bedwelmends in de lucht. Bing snoof dan diep en gelukkig en zei: ‘alcohol! Methylalcohol!’ Soms haalden ze met de hand in primaire kleuren geschilderde auto’s in die langzaam voortbaggerden. Er liep gewoonlijk een oud paard voorgespannen. Aan de horizon noteerden ze af en toe éen, twee, drie scheve houten huisjes met harkvormige spanningsregulator-antennes en eromheen omgevallen houten hekwerk. De huisjes waren niet breder dan hun voordeur en het kleinste van het trosje was telkens een kakhok, terwijl het volgende de voornaamste bevolking een onderkomen bood. Niet de vrouwtjes tussen de groene kool met foulards om hun dikke kop dus, of hun lusteloze chirurgisch nooit geretoucheerde mansmensen die plotsklaps verbaasd naar de DS staarden. Wel vloedgolven van duizenden wantrouwig reikhalzende witte ganzen die dreigend ‘gagagagagaagaa!’ riepen en weer allemaal door een gat in de zijmuur naar binnen verdwenen.

Van geuniformizeerde honden met dominante blik daarentegen geen spoor. Ze zagen zelfs geen honden tout court. Misschien hoefden hier ook geen honden rond te lopen om je indringend aan te staren. Misschien waren de inboorlingen hier onschuldigen en accepteerden ze de wereldorde zo. Waren ze gelukkig in hun ongeluk. Maar

354.

 

misschien kwam wat hondse discipline hier anderzijds wél van pas, want straatnamen en huisnummers waren hier een potje. Ook wreed dat ze op zoek moesten naar een straat op een plek zonder naam, want zo had je er hier verschrikkelijk veel, en opnieuw en opnieuw moesten ze op zoek naar een andere plek zonder naam. Onpraktisch! Ze zagen ook nooit een mooi hotel in de verte. Zelfs geen lelijk.

‘Fock fock fock!’

‘Fock fock fock!’

Etc. Maar plotseling stond Bing midden in de vlakte op de rem. Hij zette de DS in de berm. Al keek hem vragend aan.

‘It’s here! Hotel Noice View.’

‘Where? Oy doesn’t see no Hotel. Is this Ulica 117?’

‘Yup. Look! LOOK!’

Ja. Juist. Langs de weg stond een brievenbus van dof blik op een paal in de leegte. Zo te zien nooit gebruikt maar het viel niet te ontkennen: er stond een nummer honderdzeventien op. Opwinding maakte zich meester van de reizigers en Bing draaide haastig de motor uit. Ze stapten uit en achter de horizon begon er al een stam ganzen ‘gagagagagaga’ te scanderen. Op de bus zat er zo’n voorgedrukt kartonnetje waarop de eigenaar z’n naam kon schrijven, maar het was nog altijd maagdelijk, hoewel intussen geel en grijs van wie weet wel honderd jaren eenzaamheid.

‘So where’s Hotel Noice View?’ zei Al.

Bing wees. Al keek erg sceptisch. In de verte aan het eind van een paadje stond weer een knullig houten huisje. Ze deden de bovenste knoop van hun hemd dicht, lieten de portieren van de DS open staan om hem wat te luchten en wankelden het pad op. Sop sop sop. Het had geregend. Zodra ze hun voeten neerzetten kwam er vocht omhoog. Niemand te zien.

‘Whoy on earth,’ zei Al, ‘would a Prince wonna spend his glorious loife here?’

‘My be he doesn’t.’

355.

 

‘He doesn’t?”My be doesn’t wont to, bot his woifie does. On the other hand, my be does wont to too.”Whoy?’

‘Quoiet. And cheap. Especially if you’s out of BBs. Rolls ollwhys is. Oll they has is debts. He needn’t keep op with the Joneses here oither. And it’s too far for oll them other Rolls spongers to come over and sleep in his drawing-room.’

Ze waren bij het huisje. Het bleef hardnekkig bewegingloos. Het hout was grauw van de winters en het verdriet hier te moeten staan. Om het geheel wat pittoresks te geven hing achter het slecht gepoetste enige raam een gekreukt wit-kanten gordijn. Dan hoorden ze stemmen en ze stonden abrupt stil.

‘Cheese and macaroni soufflé. Men loves it,’ zei een stem.

‘Preheat your oven to 350° bot don’t put your head insoide,’ zei een andere.

Al en Bing glimlachten.

‘Angela!’

‘And Omar!’

Wat een warm gevoel! De wereld was klein. Ze draaiden het hoekje om maar in de plaats van de geur van kaas en macaroni waaide hen die van preisoep tegemoet. Ze snoven.

‘Ah!’

Het was geen kaas en macaroni, maar wat deed dat ertoe?

‘God, this is good!’

‘This is bliss!’

‘Magnificent!’

Honger is de beste saus, maar ze moesten verder. Achter het huisje nooit geknipte liguster, berken en kromme rijen groente. Tussen een berg krachtig dierlijk

356.

 

excrement en een scheef kakhuisje hing een hekje. Aan éen stijl van het hek zat vier meter wiebelige staak waarop een bont plastic molentje ratelde in de wind. Eerst zagen ze niemand, maar dan bewoog er wat verderop.

‘Is that a rabbit?’

‘No.’

Er stond een gezet ventje met spierwit haar beverig te spitten in een zone vol prei. Duidelijk tegen z’n zin. Prins Woof? Al herinnerde zich van de spanningsregulator een dikke nek en mooi bekkend haar dat je met goede wil glamoureus kon vinden. Waarschijnlijk beelden van honderd jaar terug, want hij zag nu bij wijze van spreken een uitvergrote aardappel die twee jaar in de kelder had gelegen. De aardappel straalde gelukkig even krachtig de beroemde dédain uit en hij had de botte blik die de prins zo uniek en sympathiek maakte. Geen twijfel.

‘It’s him!’

‘He really lives here!’

Ze bedwongen hun opwinding, deden het hekje voorzichtig open en wobbelden de tuin in. De ouwe bleef onverstoorbaar met z’n spade klompen aarde om zich heen gooien – en af en toe een misnoegde blik in hun richting of zij ergens de schuld van waren. Ze bleven dus behoedzaam stil staan op drie meter van hem.

‘Mr Woof?’

De ouwe spoog.

‘Mr Woof? Hollo?’

De ouwe tijd keerde hen de rug toe.

‘MR WOOF?’

Boven ze dolde het bonte molentje van de windwijzer. Piepiepiepiep. De prins keek zuur of ie inschatte hoe lang het zou duren voor ie heel de wereld had omgespit, maar toen Al met een blik van solidariteit in tegenspoed een stap zijn kant uit zette, kreeg ie een toeval van verontwaardiging.

357.

 

‘Wotch out!’ riep Bing, maar de spade schoot al als een speer naar Al.

Al wipte opzij en ze bleef voor z’n voeten in de grond staan trillen. Niet slecht voor zo’n uitgezakt oud mannetje.

‘Ron!’ riep Bing, ‘Al, ron!’

De ouwe kwam in z’n kaki rubberlaarzen aanrennen. Ze renden, maar hoe snel ook, de knakker haalde hen in en gaf hen trefzeker trap na trap onder hun gat.

‘Ow! Outch!’ kreunde Al.

De ganzen kwekten hysterisch.

‘Ow! Ow! A real Roll,’ mompelde Bing, z’n stem week van waardering.

‘Ow! Monseigneur? Monseigneur!’

Wat goed dat Bing z’n wereld zo goed kende! Die aanspreekvorm werkte. Prins Woof hield op met trappen.

‘Oh, so,’ hij hijgde nog wat na, ‘you knows me?’

‘Of course Monseigneur!’

Prins Woof ging met z’n benen breed staan om zonder kans op omvallen een poosje te kunnen genieten van z’n voldoening, maar iets trof z’n zwervend oog, en hij fronste.

‘Hey, whot’s that?’

Ze volgden z’n blik naar dat zeldzame teken van beschaving in deze woestenij, de DS.

ds-citroen-kleur-drie-kwart-gesatureerd-frame-80.jpg

358.

 

 

‘Oh, that’s jost our car, Your Majesty.’

‘Really?’

Ze knikten. De prins tuurde vertederd naar het voertuig. ‘Noice.’

‘Yup.’

‘Very noice.’

‘It is, Your Hoighness.’

‘Oh come on, goys, stop Your Hoighnessing me. Jost sigh King Larry. No, it’s extremely sad, and it’s often mide me feel so desperate Oy could drop dead, bot Oy’s seen no noice cars in a long long long toime. In years. And it’s been iges since Oy’s even driven one.’ Hij keek Al en Bing langoureus aan en wendde dan weer de blik om vol verlangen naar de DS te staren en als vanzelf liep ie er naartoe, in slomotie, of ie droomde. Al en Bing vlug met hem mee.

‘Snoopie?’

Prins Woof schrok, keek Al en Bing aan en legde een vinger op z’n lippen. Ze liepen zo geluidloos mogelijk verder.

‘SNOOPIE?’

‘Queen Eclair!’ fluisterde de prins.

‘Where is you, Snoopie?’

‘Eh, here, Poopie.’

‘Has you done the garden?’

‘Nearly.’

‘Come insoide as soon as you’s ready.’

‘Of course, Poopie.’

Het bleef stil in het huisje en Prince Woof keek opgelucht. Ze liepen verder.

359.

 

‘Wimmens!’ zei de Prince. ‘If we could jost put them in a garage!’ Hij begon te lachen. Het was dus als grap bedoeld en Al en Bing lachten uitvoerig mee.

‘Snoopie?’

Prince Woof hield vlug op met lachen.

‘SNOOPIE?’

‘Yes dearie?’

‘Is you coming?’

‘Yes, Poopie!’

Ze liepen weer richting huisje. De prins morde in zichzelf.

‘Oy jost wonders,’ zei Bing tegen z’n rug, ‘who’s king here.’

De prins stond met een ruk stil.

‘Oy is!’

‘Is you?’

‘Fock yes! Heaven is moy witness!’

‘Show os yourself!’ zei Bing. ‘Show os who’s the boss!’

‘Now. Does you wonna have a roide in the DS or not?’ zei Al.

De prins wierp een schuldige blik over z’n schouder en begon dan naar de DS te rennen. Harder en harder. Al en Bing hadden moeite om te volgen.

‘Wow! Wonderful!’

De prins genoot. Hij had het raampje open gedraaid en hield z’n arm op in de wind of ie een menigte groette. De arm ging vanzelf op en neer in de tocht als een vliegtuig.

‘Noice. Quoite noice.’

Bing zigzagde. Hij had al plankdiep geremd en gecontroleerd geslipt en de prins vond

360.

 

het allemaal te gek. En nu gaf Bing gas. Hij schoot sneller en sneller over de zandweg, gaten of geen gaten, ganzen of geen ganzen, hotsend en botsend, in een sluier van stof. Het land werd van de vaart een vage vuilgroene vlek en de prins trok z’n arm naar binnen. Hij leek een beetje bang te worden. Bing gaf nog meer gas.

‘Boys,’ zei de prins beverig, ‘let’s go back to Poopie.’

Bing reed nog sneller.

‘Boys, dinner’s whiting for me.’

Ze gingen als een raket.

‘Moy soup’s getting cold.’ De prins hield zich goed vast.

‘Fact is,’ zei Al, ‘we’d loike you to help sort out this thing first.’

‘Thing?’

‘Dog thing. You loikes dogs. A lot. More than wimmens. Cars, even.’

‘Mmmm yeah, dogs.’ Prins Woof zuchtte en verzonk in zichzelf. ‘So sweet. So loyal. So coddly. So beautiful. So – ‘

De prins zag er wreed eenzaam uit hier in de eindeloze vlakte zonder enig hondenbeest om hem te troosten. Stond ie daarom daarnet zo sikkeneurig te spitten? Kon ie het daarom moeilijk uithouden tussen de prei? Moest ie daarom nu en dan naar Crack Off of Sa Soo See? Kon ie daar z’n liefde voor honden tenminste beleven (lxii)?

Al legde z’n arm voorzichtig om hem heen.

‘How locky we is you loikes dogs so motch, Larry,’ zei ie.

Prins Woof keek hem achterdochtig aan.

‘King, you’s the one!’ zei Bing.

‘The one?’

‘The roight goy for some most serious dog stoff. Some most serious diplomatic work.

361.

 

You my not notice among your leeks bot the world is about to go to blizes in a hellish war if man and dog can’t mike peace, if we can’t convince the most senior dog to -‘

‘Topdog?’

‘Yeah, Topdog, if we can’t convince him that we humans means well, that we really really loves him and his colleagues and accepts they’s far superior. We needs an outstanding poblic figure with a wellknown pro-dog profoile and a sofficiently silly, sobduable, dogs-pleasing niture to restore harmony between man and dog.’

‘Me?’

‘To tell him there’s still humans whot loikes dogs.’

‘Me? You means me?’

‘King,’ zei Al, ‘we thinks yes indeed you’s the roight person!’

‘To sive the world,’ zei Bing.

Woof balde z’n vuisten. Hij glimlachte kamerbreed. Je zag hem opgloeien. Al werd bang. Dadelijk viel de ouwe rekel nog dood. Van alteratie. Zoveel erkenning had ie heel z’n leven lang niet gehad. Dat ie dat nog mocht meemaken! De wereld redden! Maar dan leek ie te schrikken.

‘Whot about Poopie?’

‘Poopie?’

‘Queen Eclair. Moy woife. Hites doggies. Thinks Oy loikes them more than her. Oy does, bot Oy can’t admit so, can Oy? For the sike of domestic peace, can Oy? No. She mikes soup for me every dy. Fills the dish wosher. Vacs the house. Puts oll that stoff in weck pots for the winter. No dog’s ever gonna do that!’

De prins transpireerde. Het werd hem te veel. Hij begon te beven, deed z’n ogen dicht en zat een tijdje voor zich uit te tobben. Bing vertraagde. Maar de prins deed z’n ogen weer open en hij fonkelde.

‘First things first, roight?’

‘Roight.’

362.

 

‘And siving the world is a proiority, eh?’

‘Certainly!’

‘Let me do it then, bot as soon as Oy’s done it, back Oy goes to our Poopie. Oll roight?’

Bing en Al keken elkaar opgelucht aan.

***

‘Heheh!’ zei Al.

Ze kwamen weer veel makkelijker vooruit nu ze weer naar het westen reden. Logisch Ze moesten minder de weg zoeken. Die weg werd ook altijd beter. Na twee dagen plankgas nam de massa ganzen af, werd de bewoning weer dichter en de huizen breder. Er groeide weer meer dan gras. Ze raakten slaags met dichtere en dichtere files. Ze reden op echte snelwegen met baanvakken en wegwijzers. Ze passeerden wachthokjes met brutaal kijkende honden met geweren die gelukkig nooit uit hun hok kwamen, ook al zagen Al en Bing er nu dubbel zo verdacht uit met hun baarden als boottrekkers en hun staat van verdwazing, want ze reden aan één stuk door. Of liever, Bing noch Al sliepen om elkaar af te wisselen aan het stuur terwijl Woofmans heel de tijd met z’n dikke billen over drie kwart van de achterbank lag te pitten of van de slechtgeworden resterende chippolata proefde. Ze reden tegen de klok. Ze moesten de King in goeie staat, met een goed humeur en tijdig bij Topdog krijgen. Dat sprak niet vanzelf want z’n stemming ging nu pijlsnel achteruit. De eerste dag was men nog zo opgewekt dat ze honderdduizend keren zongen van ‘For he’s a jolly good fellow. For he’s a jolly good fellow.’

‘Who is?’ vroeg Zijne Hoogheid dan altijd weer.

‘You, King Larry!’

Daar kreeg ie nooit genoeg van, maar nu kreunde hij ’s morgens zodra hij wakker werd.

‘Oy’s so hongry!’

Helaas was er geen enkele eetbare chippolata meer over en de prins verviel in somber gebrom. Overigens begon de honger ook Al en Bing te steken. En na een poos gematigd gekreun schreeuwde de prins eensklaps luid: ‘Oh for a bit of Poopie’s soup!’

Al en Bing hielden hun mond.

363.

 

‘Poopie, whoy has Oy ron awhy without tellling you?’

De prins keek Al en Bing schuldbewust aan.

‘Oy’s gonna harvest oll the cabbages for Poopie bang on the spot. There must be two hundred of them bot Oy should never have left them outsoide so long.’

‘No. Never.’

‘Loike she asked. And wosh them potitoes.’

‘Quoite so.’

‘Droive me back. Now!’

Maar Bing reed gewoon door naar het westen. Al op de achterbank legde z’n arm weer om de prins en keek hem warm aan. Per slot van rekening was ook deze onnozelaar zoals iedereen op zoek naar troost, erkenning en sympathie. Nooit gekregen. Deze sukkel had tientallen jaren alle dagen oud brood moeten vreten in jammerlijke kostscholen waar ieder ander levend wezen tot en met de kat en de keukenratten hem hartsgrondig haatte. Als ie nu maar genoeg liefde kreeg, voelde hij vast geen honger.

‘Oll’s gonna torn out roight, Snoopie. You’s sotch a very sweet person, you knows?’

Hij trok hem tegen zich aan, tuitte z’n lippen en gaf hem (weliswaar gruwelend, maar het was voor een goed doel) een zoen op z’n dikke oor.

De prins gloeide warm.

‘Oy knows, bot Oy’s so hongry!’

Al keek heel de DS rond, maar hij vond geen morzel eetbaars meer. De voorverpakte chippolata’s zagen er nu van de gisting in hun verpakking meer uit als voetballen en de prins kreunde maar luider en luider. Al was ten einde raad.

‘How about that cushion?’ zei ie dan maar.

Het kussen lag op de hoedenplank en was puur decoratief bedoeld. Ma had het ooit nog gehaakt maar het was in elk geval nog niet bedorven. Prins Woof wierp er een blik vol twijfel op.

364.

 

‘Organic,’ zei Al. ‘Quoite nourishing. Plenty of wholesome sobstances.’

De prins was zo wanhopig dat ie het kussen naar zich toehaalde, het bestudeerde, er een hoek van in z’n mond stak en behoedzaam beet. Het was niet echt lekker maar het hield hem stil en hij kauwde er uren op, maar ten slotte werden de symptonen toch weer te erg. De DS schudde er van heen en weer en Bing had grote moeite om hem onder controle te houden.

‘No! Please no! He’s going mad!’ schreeuwde hij.

‘Quick!’ riep Al.

Bing zwaaide zo de snelweg af en ze bevonden zich op het uitgestrekte parkeerterrein van een reuze fastfoodzaak. Ze waren alweer enkele duizenden kilometers naar het westen, waarschijnlijk buiten het bereik van de stem van Queen Eclair, en de plek heette volgens een groot bord Rest Steady. Opzij lag een royale strook gras met rustieke betonnen banken-cum-aangebouwde zitjes, vol voorovergebogen en geconcentreerd kauwende van leren hoedjes voorziene burgers. Ze namen broodjes tot zich met een grote, bijna zwart gebakken worst, mosterd en uiterst gul uitgedeelde goed gebakken ui. Bing parkeerde en hij, Al en de prins stapten snel uit. Prins Woof bedaarde al wat nu hij zoveel mensen beloftevol worst naar binnen zag duwen. Verleidelijk giftig gekleurde hel oplichtende consumenteninformatie voor hamburgers, taco’s, kebap en wat nog van de concurrentie verderop besprong onze vrienden, maar de lucht van gebakken ui was zo overweldigend dat ze maar éen zaak konden doen: hier sito presto naar binnen gaan, worst bestellen en te veel betalen. Dat had je als je at langs de snelweg! Je betaalt àltijd te veéel! Maar ach, eigenlijk was het ma die betaalde met haar kredietkaart. Even later zaten ze op een rustieke bank en beten ze in broodjes met worst. Voor zichzelf hadden Al en Bing er elk twee besteld, en voor Prins Woof drie.

‘Good!’ zei de prins, al malend. Lekker. Lekker vet. En zo in open lucht eten smaakt extra. ‘Grite, eh?’ riep ie naar de andere tafeltjes.

De eters daar knikten werktuigelijk, zonder op te kijken. Al vond dat de prins nogal schrokte. Begrijpelijk, hij had honger. Al en Bing hadden er waarschijnlijk zelfs nog meer, maar pas op, want van schrokken krijg je maagpijn. En ui kan je flink opbreken. En ze waren vergeten drank bij hun worst te bestellen. Ze konden zonder

365.

 

spoeling beter wat langzamer eten. Zeker de prins. Hij moest in goeie staat tot bij Topdog.

‘A lot better than at boarding school, eh?’ zei Al in de hoop dat ie van wat conversatie zou kalmeren.

Prince Woof keek hem behoedzaam aan.

‘No need to get good marks to get food here, eh?’ zei Al.

Het gezicht van de prins werd van voren wat scherper.

‘Whot does you mean?’ zei ie, zo krachtig dat er prakkies brood en worst in Als gezicht vlogen.

Wat Al bedoelde? Nou. Iedereen wist dat toch?

‘No need to wroite good pipers. Or to let others wroite them, eh?’

Al knipoogde.

De prins sidderde, en vergat te kauwen. Eerste heilzaam effect. Hij keek Al vijandig aan.

‘Is you insinuiting,’ zei ie, ‘Oy didn’t wroite moy pipers moyself?’

‘Well, that’s the story, isn’t it?’ Al glimlachte verzoenend.

‘Is it?’

‘Umm. Oy means. You knows. Oll that stoff.’

‘Stoff?’ De prins snoof. Er kwam hete stoom uit z’n neus. ‘Whot stoff? Is you sighing Oy never got moy diploma?’

Vanzelfsprekend, want prins Woofs haalden nooit hun diploma, zo wou het de traditie, maar Bing besefte het gevaar.

‘No!’ riep ie. ‘No, we loves you jost loike you is, king Larry! Onconditionally! Of course you wrote your pipers yourself! And moind you, we didn’t tock about your diploma, king! You did!’

366.

 

Maar het kwaad was geschied en de prins kreeg weer een toeval. Het was snel weer over, maar hij kon hier helaas niet met z’n spade gooien, dus hij schoof z’n kartonnen bord met broodje-worst terzijde, vouwde z’n armen over elkaar en staarde stuurs voor zich uit. Principes waren hem duidelijk liever dan worst met ui. Nou, gelijk had ie, want zonder principes staan we nergens! Van veel principes heeft een mens maar last, maar helemaal geen is miserie, dus alle respect voor de prins. Toch voor even. Al en Bing aten met lange tanden hun eigen worst verder op, maar toen ze op was, zat de prins er helaas nog altijd bij als een standbeeld.

‘Come on, king, please, eat your sausage. We’s pide too motch for it.’

De prins keek koppig in de verte.

Ze zaten nog een half uur naar hun nagels te kijken, en toen zei Bing in arren moede, ‘Oll roight, let’s beat it.’

Ze stonden recht en deden of ze zonder omkijken weer naar de DS liepen, maar de prins bewoog niet. Ze gingen weer naar hem terug.

‘Please please!’ zei Al.

‘OK, Al’s been silly!’ zei Bing. ‘He sighs he’s sorry.’

‘Oy’s sorry!’ zei Al. ‘So so so sorry!’

Prins Woof bleef zitten mokken.

‘Fock. You isn’t gonna sit here for the rest of your loife, is you, dear?’

‘None of your business.’

‘You’s gonna catch a nasty cold here, king.’

‘None of your business.’

‘How about another sausage? A Super!’

‘Oy forbids you to address me without moy permission.’

Ja, dat was een moeilijke. Ze probeerden hem nog stilzwijgend tegen z’n zin van z’n

367.

 

zitje te lichten om hem naar de DS te dragen, maar hij begon dadelijk te schoppen en krijsen, en er kwam al personeel van de fastfoodzaak met spatels in de hand buiten kijken. Misschien werd er veel verkracht op het parkeerterrein. En zo kon je de prins ook niet aan Topdog presenteren en hopen dat ie er wat van bakte. Ze bleven nog op de neus van de DS naar hem zitten kijken tot de zon onderging. Ze werden er hopeloos van. En toen reden ze dan maar verslagen, teneergeslagen verder terwijl de prins alleen in het donker met z’n armen gekruist op de bank achterbleef in Rest Steady. Droevig. Tragisch. Stom. Monumentale zeiker. Al dat werk voor niks. Al die honger voor niks. Al die kilometers. Al die stank. Nog altijd niet geschoren. De wereld opnieuw dichter bij de ondergang. En wat met Gerrie?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

368.


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s