Postmen of the world.

Waarin …

Al hoorde Gerrie gillen, en béng, weg was de verbinding. Hij belde terug.

‘The nomber you requests is no longer avilable.’

Maar dan hoorde z’n andere oor massaal geblaf in de verte. Als van miljoenen honden. Als van een reuze golf die naar Bowl raasde. Als van een hevig onweer. De drankslijterij viel stil van de schrik. Al stak Arts telefoon vlug op zak, liep verder de trap op en net kwam Art van de andere kant. Bona fide en dringend op weg naar het toilet. Soms plassen mensen van angst.

‘Art, whot’s this hullabaloo outdoors?’

‘Al, please!’

‘No, whot’s happening? Whot’s this awful noice?’

‘Our army is courigeous bot wary.’

‘Wary?’

‘Mr Fred expects additional troups.’

‘So?’

They hasn’t torned op! Notwithstanding his orgent pleas.’

‘Whoy would he need more troups? He’s so brilliant.’

Art maakte een dribbelpas en ontsnapte. Al hem na tot in het toilet.

‘Additional troups? Where from?’

‘Our friends from WBC and JLS,’ zei Art en hij leed.

‘Oh.’ Samen waterizeren schept een band. Al deed een stap vooruit en deed mee.

‘My be,’ zei ie, ‘they’d rather have the postal army done in.’

474.

 

‘Whot?’ Art vergat te plassen. ‘Whoy? Whoy would they wont that?’

‘Less competition.’ Al keek zelf op van wat ie zei. Had ie zo weinig vertrouwen in het koerierwezen? Had het dan geen goeie naam? Kwam het z’n afspraken niet altijd na? Leverde het niet wanneer het leveren moest?

‘No!’ riep Art. Hij geloofde klaarblijkelijk stiekem ook in de concurrentie.

‘Well, one goy’s death is another one’s breath.’

Hoe hardvochtig. Had Al zo weinig fiducie in de mens? Nee, hij was gewoon vanzelf te ver doorgeschoten met z’n betoog. Hij vertelde die arme Art ook liever wat leukers. Hij keek op z’n horloge. Eén voor vijf in de namiddag. ‘Tell Mr Fred not to panic. He’s still got one hour. The dogs isn’t gonna attack before six.’

Arts ogen werden groot. ‘You sure?’

‘Yeah.’

‘Who told you?’

‘Eh. Little birdie. Boy the why, shouldn’t we stroike pre-emptively?’

‘Pre-emptively?’

‘Yup. Sorproise them! Attack before six.’

Art keek bedenkelijk. En hij was al zo moe van zoveel verrassingen.

‘Too lite.’

‘Too lite?’

Art keek op z’n horloge. ‘It’s two past foive. It’s even too lite roight now. Regulitions. Our working die finishes spang at foive. No, Al. No why! The boys would never have it! Regulitions is regulitions.’

Maar de verrassingsaanval hoefde niet meer. Ze hoorden een schril geluid. Al en Art waren net op tijd buiten om een projectiel op het hoofdkwartier te zien inbeuken en de gelagzaal vol interessant discussiërende postbodes te verpulveren. Vuur, roet,

475.

 

rook. Art liep handenwringend rond. Al huilde.

‘Marcel!’ riep ie. ‘Mr Fred!’

Meneer Fred was, dat spreekt voor zich, de belangrijkste, en men besefte het goed.

‘Mr Fred!’ riep iedereen die nog levend op het pleintje stond. Men riep goed en lang maar er kwam geen antwoord. De elite van de post was in as omgezet en de honden hadden de aanval vóór zes uur ingezet. Je kon ze voor niets vertrouwen, de schurken. Je kon ze gemeen horen keffen. Je kon hun machines horen optrekken. Ze waren onderweg! Intussen was meneer Fred, de meesterstrategist, de hoop der postbodes, hen ontrukt. En er moest nu iemand de postbodes dringend leiding gaan geven! Maar wie?

‘Art, you must tike over!’

‘Sorry mite, it’s past foive!’

‘Art, we must be courigeous!’

‘Sorry, moy friend. Oy’s only the assistant-strategist!’

Al kreunde. De raket had precisiewerk afgeleverd: ze had alleen de middelste van de drie slijterijen, Bodega II, verpletterd, net die met het hoofdkwartier. En nu kwamen er nog een aantal mindere postgoden door een groot gat inde zijmuur vanuit de overeind gebleven Bodega I de open lucht instappen, waar net nog Bodega II stond. Ze waren wegens goedkopere drank naar Bodega I overgelopen en stonden nu met pies over hun broekspijpen en trillende knieën in de rook. Al hoopte nog zo dat ook meneer Fred zo uit het gat zou stappen om krachtdadig leiding te geven, pies of geen pies op z’n broek, maar helaas, het mocht niet zijn, want dàar zag ie hem liggen, te midden van al die geblakerde bric-à-brac.

‘Mr Fred!’

<!–[if gte vml 1]> <![endif]–>Hij zag er nu uit als een hoop as uit een reuze asbak, maar hij was het zeker, want – hoe wreed is het lot in wat het spaart! – z’n mooie dikke vulpen lag nog altijd ontroerend onaangetast langs hem te glimmen. Al zakte op z’n knieën.

‘Mr Fred! Mr Fred!’

476.

 

Meneer Fred antwoordde niet meer. as-en-vulpen-frame.jpgAl dook wanhopig met z’n handen in de hoop as en er kwam nu wat vaste meneer Fred te voorschijn. Hij zag er nu uit als éen van de zwart uitgeslagen hammen aan het plafond. ‘Prr. Pfft. Tssj.’ Rook kronkelde uit hem omhoog. Hopen postbodes van lage rang begonnen kriskras door elkaar te lopen op het pleintje en zich de haren uit het hoofd te rukken.

‘Oh moy! No! Is this true? No, this can’t be true!’

Jawel. Hoe jammer dat de veelbelovende carrière van een talent voor ambtelijk bochtenwerk zo moest eindigen. Meneer Fred zou de posttroepen nooit meer leiden. Hij zou Al niet meer van dienst zijn.

‘Lordy lord, whot’s oll this?’ stamelde iemand. Het klonk erg authentiek, als van een mens onder invloed van een traumatische ervaring van eerste rang en iedereen op het pleintje keek dus benieuwd met een ruk om. Marcel. Hij stond in de deur van de nog bestaande Bodega III. Hij wankelde maar wist zich vast te houden aan de deurstijl. Hij had blijkbaar ook op het juiste moment een andere slijterij bezocht en was nog in éen stuk.

Niemand antwoordde.

‘Oh dear!’ zei Marcel dan maar zelf, ‘it’s him.’

Hij zocht koortsachtig in z’n jas, vond z’n kam en begon z’n haren zorgvuldig goed te leggen, maar plotseling golfde het geblaf van de duizenden honden zo onheilspellend luid aan dat ie van angst z’n coiffure vergat. En om hem heen vielen de postbodes die druk in de weer waren met zich de haren uit het hoofd te rukken ontzet stil.

‘It’s jost the wind.’

‘No. They’s near now. Mr Fred! Please! Tell us whot to do!’

477.

 

‘Yes, Mr Fred,’ riep Marcel, ‘we must act!’

Meneer Fred gaf geen kik. Er kwam alleen wat rook uit z’n oor en het plein rook naar net gebakken spek.

Marcel keek Al indringend aan. ‘Somebody must tike over, Al.’

Maar Al was van nature een schuchter schaap.

‘They’s insoide the wolls now! ‘Listen! Al!’

Al had echt geen zin.

‘Al! Come on, man.’ Marcel keek nu echt smekend. ‘Al!’

Al vermoedde dat uitleg over z’n karakter niet meer hielp. Men ging hem hier de oren van z’n kop blijven zeuren. Deze zaak moest op het slagveld zelf behandeld worden. Hij kwam recht, haalde diep adem, keek rond en een rimpel van verwachting streek door de menigte. Er stond hier iets te gebeuren. Ook de locale bevolking voelde het aan en werd wakker. Altijd geïnteresseerd in rampen. Ze zat met de handen in de broekszakken op bankjes in de schaduw te pitten maar ging nu dus rechter zitten, wreef zich de ogen uit, en keek gretig.

‘Marcel,’ zei Al, ‘droive me to the troops!’

‘Whot?’

Er was geen tijd voor whot. Al deed twee stappen achteruit en trapte Marcel in het belang van de mensheid zo hard onder z’n gat dat ie als vanzelf achter het stuur van een rode vanette ging zitten. De sleutel stak al in het contact, waarschijnlijk om zo snel mogelijk te kunnen wegkomen, en dat deed Marcel nu, want daar sneed ie met Al aan z’n zijde door de massa, het plein af, de steile steegjes door met dure winkeltjes voor beschaafde toeristen en de vlakte in.

Ineens was alles anders.

De honden stonden dus toch nog niet voor de muren. De miljoenen krijgers van de twee legers waren zo te zien nog in een aftastende en voorbereidende panoramische faze. Hier en daar grepen er schermutselingen plaats. Allerlei vloog door de lucht.

478.

 

De eerste gevallenen werden voor de goede orde weggedragen. Vuurtjes brandden in de verte en als Al goed keek, zag hij hoe ondernemende honden er postbodes boven roosterden. Roekelozen die zich te ver voor hun eenheid hadden uit gewaagd. Andere postbodes maakten zich in groepsverband en waarschijnlijk strategisch verantwoord uit de voeten, en nog andere spurtten dan weer wetend of onwetend in de richting van de vijand. Er was dus sprake van enige verwarring maar het bleef een overweldigend schouwspel. Gek. Geen enkele afgestudeerde uit het kunstonderwijs had eraan gedacht zich terzijde te installeren en hiervan een groot schilderij van zestien op negen te maken. Maar misschien was het allemaal te figuratief. De vanette passeerde in een flits een volksmens in zwart giletjasje bij een ton waarin vuur. ‘Roasted chestnots! Roaoasted chestnots!’ Er volgde een specialist in slakken, een rokende caravan waar je friet met frikandel kreeg, en een nog indrukwekkender oplegger met luifel, plastic stoelen en tafeltjes die vooral mosselen natuur kwijt wou. Er zat al een dozijn postbodes nooddruft tot zich te nemen. Bemoedigend dat de Brosselse cultuur ook hier wortel schoot, maar nù moest Al alle collega’s dringend op éen lijn krijgen!

‘Stop!’ zei ie zodra Marcel de vanette wegens de grote dichtheid aan postbodes niet meer verder kreeg. Hij klom op het dak, en al was ie introvert en had ie de pest aan overdaad en opera, hij breidde z’n armen breed uit en riep uit volle borst:

‘Postmen of the world!’

Het zong mooi. Zo klassiek. En alomvattend. Het maakte zulke indruk dat het om hem heen stil werd en dat de stilte zich in een golf verder en verder uitspreidde. Binnen de minuut stond het gros van het postleger met de handen over borst gekruist en het schepnet aan de voet aandachtig te luisteren (lxxvi). Hier en daar trilde de vlag van de post met de bekende moderne vlek in de wind. Dat gaf toch een gevoel van systematiek. Goed zo. De honderden medewerkers die met grote snelheid afstand aan het nemen waren van de gebeurtenissen, maakten beschaamd rechtsomkeer. Bij de oplegger haalde een eter de cotelet uit z’n bek om met de nodige concentratie te kunnen luisteren.

‘Postmen,’ zei Al. ‘Millions of you’s gathered here. Bot to do whot?’

Duizenden postbodes keken elkaar vragend aan en duizenden wisten het nog niet omdat de duizenden brieven dienaangaande volgens het plan van

479.

 

assistent-strategist Art nog onderweg waren, maar Al wist het wel:

‘To win this battle.’

Stilte.

‘To win this war.’

Stilte.

‘To sive the world.’

Stilte.

‘To, least, bot not last, keep your bleeding jobs!’

Geroezemoes. De postbodes keken elkaar aan. Dat begrepen ze.

‘Postmen, Oy’s not come to prise you, bot to exhort you. To remoind you of your duty. Of your proide. Of whot you’s good at. Order. Discipline. Ponctuality. Brothership. Professionalism. Goys, you can’t go home liter todie, and tell the Missus you’s lost this battle because you was oll a bit in disarrye, can you?’

Gemompel in de menigte: ‘No. No no no. Nononono.’

‘Even less can you expline to the old gent asking for a stamp at the post office tomorrow he can’t have it. Because you did not foight hard enough for it! Because you did not stand op to tyranny! Can you?’

‘No. No. NO! NONONONO!’

‘No. You can’t, for you is professionals. Hasn’t you ollwhys brought oll packages and letters home? On toime?’

De postbodes keken elkaar aan.

‘OK, nearly oll of them, nearly on toime? Well, you’s gonna do even better todie, for todie you’s gonna deliver victory! You’s gonna win! WIN!’

Hij zweeg. Iedereen zweeg.

En er hing nu een sfeer van enorme verwachting boven de vlakte. Winnen? De

480.

 

postbodes waren erg benieuwd hoe dàt ging. Wat gingen ze nu horen? Welke concrete trucs had Al in z’n mouw?

Nou, geen, laten we realistisch zijn, hoe kon ie zo een complete en gepaste strategie uit z’n duim zuigen? Goed, hij wou de massa opdelen in hanteerbare eenheden onder bekwame leiding die rapporteerde aan hogere echelons met een duidelijk plan voor ogen. Maar voor zich zag ie een pluk heren met vierkante petten en walrussnorren die nauwelijks Brossels spraken en al van z’n pauze gebruik maakten om als dwazen ter bemoediging van hun collega’s een niet meer van de tijd zijnde rijdans uit te voeren. Arme drommels uit het oosten. Die rijdans kwam nooit heelhuids door een focusgroep! En links had je een eskadron postino’s-per-fiets, waarschijnlijk van een kantoor bij de Middellandse Zee. Ze droegen voor een gevecht met honden veel te korte broeken en konden zich al evenmin stil houden. Ondanks Als toespraak leken ze te denken dat bellen volstond om honden opzij te doen springen. En maar rondjes draaien om Als vanette. Treurig. Met deze naïevelingen contrasteerde een no-nonsense groep die Al dichter bij huis situeerde en die stiekem voetje voor voetje door de massa naar de oplegger met de luifel schuifelde voor biefstuk-friet. Ach, het was hopeloos hen en de miljoenen anderen voor hem met hun talloze gekoesterde verschillen op korte termijn onder éen noemer te brengen. Eén sterk gezag. Al moest het bij retoriek houden. Zo gaat het altijd. Hij haalde diep adem.

‘So, postmen, remember. Remember your past victories. Remember how each of you stepped opon a dog at least once in the execution of his duty.’

‘Yeah.’

‘Remember how you withstood him, nay, how you countered and vanquished him.’

‘Yeah yeah.’

‘Whotever his soize.’

‘Yeah.’

‘Whotever the severity of your wounds’

‘Yeah.’

‘Now. If millions of you can kick the shoite out of millions of individual doggies,

481.

 

millions of you together can kick the shoite out of millions of dogs together!’

Logisch, en toch een revelatie die op groot enthoesiasme onthaald werd: ‘Yeah! YEAEAH!’

‘So go ahead and kick the shoite out them!’

‘YEAH YEAH YEAH!’

‘Sive the world!’

‘YEAH!’

‘Sive your jobs!’

‘YEAH!’

‘Unoited we stands! Unoited we wins! Unoited we goes! Go go go go go!’

‘YEAH YEAH YEAH YEAH YEAH YEAH!’

Prachtige redevoering. Al wiste zich de transpiratie van het voorhoofd en het applaus van miljoenen donderde door de vlakte en door heel het zuiden van het Brosselse rijk. Ook de inboorlingen die op de rand van het slagveld stonden te hopen op ernstige ongevallen, haalden de handen uit hun zakken en klapten, en in de massa postpetten ontstond er enige moedige beweging in de richting van het hondenleger dat even een pauze in acht had genomen tijdens Als redevoering.

Helaas. Al waren ze met miljoenen postbodes, het viel niet mee om te winnen. In de frontlijn schrok een rijtje goedmenende oudjes zich onmiddellijk dood toen de honden ze van boven tot onder open reten. Slash, slash. De sukkeltjes hadden per sé op die eerste rij willen staan en konden niet snel genoeg opzij springen. Bijna pensioengerechtigd, en dan gebeurt dat. Wel, daar werd de volgende rij bleek van. Dan ging men toch liever eten. Maar het was maar om te lachen vanwege de honden. Voorspel. Speldeprikken. Tot de echte hondentroepen aanstormden.

Carrés hondachtigen zo groot als renpaarden met opengesperde wolvenmuilen. Dobermanntypes, maar gerekter en met wapperende manen, bereden door meedogenloos kijkende mopsjes in borstharnas met geheven sabel. Honden op

482.

 

honden, zodat je je als postbode afvroeg, wie is hier de baas? Op het eerste gezicht een ouwerwets en romantisch gezicht, maar afdoend: afgehouwen postkoppen vlogen sierlijk in het rond en niet te tellen

postbodes-vallen-bij-bosjes-frame.jpg

waren de postbodes die al dan niet nog in bezit van hun hoofd ijlings rechtsomkeer maakten.

Dreun. Dreun. Dreun. Dreun. Huh? Wat? De postlegers keken verbijsterd op. De schaduwen van technologisch geavanceerde oorlogsmachines viel over hen. Roedels reuze dogs-of-war, gevaarlijk rondzwaaiende

ijzeren honden-op-stelten, naderden, verbazend agiel, hoe schijnbaar log ook, hun cockpits voorzien van GPS, stereo, bar, kanon en kleurenschermpje dat punten gaf per om zeep geholpen postbode. Rode puntjes zochten een gezellig plekje op duizenden borstkassen en voorhoofden van de post. Laserstralen markeerden hun meest geschikte inslagpunt. Opzij springen hielp niet. De puntjes volgden. Men riep haastig ‘No! Not me! Jost passing boy! Can’t we tock?’ Maar de machines waren niet in stemming en takketakketak pieuw pieuw woeoesj, de postbodes vielen bij bosjes.

Trommelvliessplijtende knallen. Opspattende aarde. Tongen van vuur. Kolommes van rook.

‘There’s so little to hoide behoind,’ zei Marcel bezorgd. ‘Ow. Ow. Ow. Look at them poor goys.’

Hij sprong achter de vanette. Ook de andere strijdenden in het postleger hadden de neiging zich erachter terug te trekken, of achter de oplegger met luifel, de caravan die friet en frikandel verschafte, de man met de ton, zelfs de kleine specialist in slakken. Maar je je kon daar moeilijk met z’n allen achter wegstoppen. Miljoenen wisten dus geen blijf met zichzelf.

‘Get off the roof, Al!’ riep Marcel.

‘No!’

Al bleef staan. Andere moedigen probeerden de monsters te lijf te gaan, maar bij wijze van psychologische oorlogsvoering greep hier en daar een dog-of-war er eentje en beet hem in stukken. Dat maakte grote indruk.

‘This is not reasonable,’ mompelde Marcel. Hij zag spierwit.

De postbodes vielen bij bosjes.

‘We should retreat, Al, it’s desperate. Tell them to get back.’

483.

 

 

Een clubje ouwe knakkers met reumatiek kon het niet langer harden. Ze renden gillend weg en hun voorbeeld trok. Het gros van de troepen begon te aarzelen en mompelen. De menigte stond op het punt eieren voor haar geld te kiezen. Schoenen werden in het gewoel uitgetrapt. Brillen gingen verloren. Een stroming kwam op gang. Dichtbij de vanette ging een vlag neer in de paniek, maar Al sprong van het dak, crawlde door het gedrum, vond de vlag, richtte ze weer op en marcheerde voorwaarts.

‘Come on!’

Al was alweer verwonderd. Was hij dat met die vlag? Riep hij dat? Om hem heen hadden andere dapperen de bedoeling begrepen en ze marcheerden nu dreigend met hun schepnetten zwaaiend richting vijand.

‘Indeed,’ zei Marcel tevreden, ‘it’s oll in the moind!’ Maar hij liep liever veilig achter Al.

De vlag wapperde en flapperde. Marcels witte haar beefde in de wind. Om Al heen stapte éen-twee éen-twee een heel eskadron fris en koen vooruit. Zijn vlag deed wonderen. Ze liepen allemaal in een vers gewassen en keurig gestreken donkerblauw uniform. Ze hadden allemaal propere petten op. Ze liepen perfect in het gelid.

‘Hey! Look at that! Who taught them that?’ zei Al.

‘Art,’ zei Marcel trots, ‘explined it oll in a stencil.’

Ja, mooi. Even toch. Want de voornamelijk met schepnetten uitgeruste medestanders van het menselijk geslacht waren geen partij voor de mechanische wonderen van de overzijde. Er werden wel hopen ijzeren dan wel vlezen honden geïmmobilizeerd,maar dan?

‘Whot is we gonna put them in?’ jammerde Marcel. Er waren zo goed als géen kooien voorhanden om zoveel honden in op te sluiten!

‘Keep marching,’ zei Al.

‘Millions of dogs!’

484.

 

‘Keep going!’

En hoe kreeg je er een dog-of-war zo groot een olifant in een kooi? Of een horde paardhonden met mopsen in het zadel die al sabelend weer in een wilde vlucht langs de flank van het postleger kwam scheren en honderden hoofden de lucht in liet schieten? Er was gebrek aan alles. Aan vuurwapens, organisatie, logistiek, planning op korte en lange termijn, visie, realisme, een goed HR-beleid met aandacht voor de individuele werknemer, een mission stitement en een masterplan en dat wreekte zich nu vreselijk: zodra de marcheerders in contact kwamen met de vijand werd de situatie onoverzichtelijk. Salvo’s uit zwaar geschut troffen de eerste linie. Weer gingen zovelen neer. Bommen spatten uit elkaar in zovele vlijmscherpe splinters. Borstkassen, ruggen en schedels, het bloeide allemaal open als bloemen. Bloed. Gekreun. De aarde brandde over vele vierkante kilometers. De vlakte rook naar barbecue. En toen de rook wat verwaaid was, zag Al hoe de frontlijn zich langzaam maar onverbiddelijk terugtrok.

‘It’s no use,’ zei Marcel.

‘Shot op.’

‘No. It’s no use, Al!’

IJzer en electronica, daar kon geen vlees en bloed tegenop. De locals die het evenement rechtstreeks en/of op draagbare spanningregulatortjes volgden aan de rand van het slagveld riepen nu al aanmoedigingen – naar de honden. De laffe opportunisten. En bij de oplegger met luifel stond nu een menu met hondengerechten. Het zag er beroerd uit voor het postleger. Al wou niet wijken, maar de slagen bleven eraankomen, en ten slotte naderde de frontlijn de muren van Bowl. En die honden maar niet ophouden.

‘It isn’t roight,’ zei Marcel. Ach, moed wordt niet altijd beloond.

Al antwoordde niet. Hij duizelde. Kapot was ie, maar hij hield de vlag rechtop. Om hem heen strompelden strijdgenoten met nog voldoende tactisch inzicht weer het stadje in. Het slagveld bleef achter als een reuze streep smeer. Een brij van verpletterde postmedewerkers. Stof, rook en pijn.

Men week nu in een man aan hond gevecht langzaam achteruit de doolhof in van

485.

 


stegen en tegen de rots geplakte cafeetjes. De posttroepen hadden begrijpelijkerwijze weer grote dorst en bijgevolg zat Al nu met z’n kern van strijders in Bodega III. Hij keek er zelf van op, maar het was logisch. Wat er ook gebeurt, een postbode heeft recht op z’n pauze. Even pauzeren is een gerechtvaardigde vorm van zelfbehoud. Het houdt lichaam, geest en keel soepel. Het is een conditio sine qua non in tijden van uiterste stress en uitputting. Het garandeert menselijke waardigheid in de kokende ketel van de oorlog. Het is de mens zelfs geraden op z’n sterfbed, net voor ie doodgaat. Bij de post met z’n ver vooruitziende blik was het reglement betreffende pauzes dus goed en in detail uitgebouwd en al konden de boys de restanten van Bodega II naast de deur nog altijd horen sputteren, al hing Bodega III vol vette rook en al sloeg het vuur dadelijk over naar Bodega III, mensen, het reglement ging voor! Men zat bijgevolg gezellig te keuvelen. Gewoon even uitblazen! Ach, misschien was ook dit weer typisch mannelijke pose, maar men deed in elk geval zoals voorgeschreven. Al zelf kneep z’n billen dicht. Schouderklopjes noch bemoediging als ‘relax, boy!’ hielpen. Z’n trac brak de stemming wat. In z’n ene hand zat de vlag en in z’n andere een halve liter onbekend merk. Het smaakte bitter maar poe, alles smaakte nu bitter. De kastelein rende rond om alleman te bedienen, maar stond telkens op onmiddellijke betaling. Slecht teken, maar iedereen gebaarde van kromme haas. Of de veldslag van de eeuw helemaal niet aan de gang was buiten.

‘So how was it?’

Het werd veel te luid gevraagd en men keek verstoord op. Art. Hij glimlachte als een piano. Een schuldige piano, want waar had hij in hemelsnaam heel de tijd gezeten?

Niemand antwoordde. Art begreep en hij wou beschaamd wegsluipen.

‘Oh, you doesn’t know?’ riep Marcel. ‘Well, listen!!

Ze luisterden allemaal. Dreun. Dreun. Dreun dreun. De ijzeren dog-of-wars hadden het moeilijk in de steegjes maar ze vonden hun weg. Bodega III trilde. Begrijpelijk, hij hing boven het ravijn. Er viel gruis van het plafond en Als medestrijders veerden op met hun hand boven op hun kroes. Gelukkig maar, want de voorgevel viel met gedruis over de bank waar ze net nog zaten en hoe ontevreden de kastelein ook keek, een kingsoize dog-of-war knalde de zaak in. Zilver gespoten. Klassebak. Nog een stap en het plafond donderde compleet naar beneden. Jammer, de stemming in de gelagzaal was nu helemaal naar de kloten. De drinkers haastten zich naar de

486.

 

nooduitgangen, maar het hoefde niet, want de dog-of-war deed na enig rondkijken een derde stap, richting Al. Al dronk snel z’n kroes leeg en week achteruit, maar een stem riep: ‘OK, man, ron! It’s gonna get you nowhere!’

Topdog. Hijzelf! Voorzien van een behoorlijk PA-systeem. Hij en Al keken elkaar nu betekenisvol in de ogen, en achter hem in de cockpit ving Al een glimp op van een vergeefs kronkelende geliefde figuur. Een vuist kneep z’n hart samen.

‘Gerrie!’

‘Yeah,’ zei Topdog. ‘She’s gonna wotch you slowly being minced into hamburger.’

Oh, wat gruwelijk. Het zweet brak Al uit. De finale van een biezonder slechte speelfilm. Maar echt. Hij ging er echt aan. Hij hoopte dat het niet te veel pijn ging doen. Of, nu hij toch aan ’t hopen was, op een wonder. Waar was overigens Gerries theelichtje, teken van hun liefde, om hem te helpen? Of het kristal van éen kilo? Of de buste van Gerrie met lichtjes? Er hing een hoop ballast in z’n broek. Wat zat er nu in de zijne en wat in die van Bing? Hij vond het niet echt een moment om te checken. Hij herinnerde zich Queen Betty’s raad. Misschien was dat praktischer. Sacrifoice yourself. Als ie er toch aan moest, kon het beter voldoende opbrengen. Misschien moest ie daar alles op zetten: Gerrie redden. En waarom ook niet, in éen gooi, de wereld? OK, hij zette een stap vooruit. De DoW haalde uit maar miste, want Al week achteruit, de trap af naar het herentoilet. De DoW bukte, maar het trapgat was te klein, hoe ie ook wrong. Heel de bodega kraakte en er ontstond paniek in de gelagzaal. De trapleuning brak af. En dan, née! De complete pronktrap naar de verdieping kwam los en ramde in een wolk gruis en puin over de hondenmachine heen! Zonde van het dure marmer. En daar lag het gevaarte, bedolven, , gevangen in het gat van de trap.

‘Gerrie?’

Geen reactie. Hemel, hoe was ze eraan toe? Hij moest haar als de bliksem uit het ding zien te halen, maar alles zat onder de stenen. Hij moest hulp vinden, maar hij kon niet naar boven. Hij rende naar beneden en stond in de toiletruimte. Hij trok het herentoilet open. Psssjt. Zo’n ding op de deur spritste iets ph-neutraals. Het rook er nu heerlijk naar jasmijn, maar daar was ie flink van gediend! Geen enkele uitweg. Ja, een raampje, maar te klein en uitkijkend op het ravijn. Wat moest ie?

487.

 

Hij zat zelf gevangen. Hij ging op de WC-pot zitten, maar het hielp niet, sprong recht, liep naar de wastafel, controleerde of er voldoende afdroogpapier was en even was alles rustig. Dan ging er een schok door de bodega. De DoW kwam weer recht en Al kon horen hoe hij zich langzaam een weg baande naar onder. Het gebouw kreunde. Het toilet beefde. De vloer ging op en neer. Logisch, want het toilet was licht genoeg gebouwd om boven het ravijn te kunnen hangen. En die vloer gaf Al hoop: stel de ijzeren hond komt het toilet in, het breekt af onder z’n gewicht en hij keilt het ravijn in! Topdog incluis. Het hondenleger zonder leiding! De wereld gered!

Het werd donker en Al keek op. De enorme DoW stond over hem heen gebogen. Er flikkerde metaal. Topdog richtte het kanon. Degelijk materiaal. Hij hijgde genoeglijk, de harteloze kleine ploert. Maar de vloer begon te kraken. Al had gelijk. Hij moest Topdog alleen diep genoeg het toilet in lokken. Hij liep langzaam achteruit en Topdog volgde.

‘Al! Al!’

Al schrok. Gerrie. Ze klonk ontdaan. Ze zat ook in die cockpit!

‘Get me out of here, you slacker!’

‘Gerrie?’

Nee, iemand anders, op de achterbank, kleiner, fors, nors. Mevrouw Romy.

‘NOW!’ riep ze.

Hij aarzelde. Hij wou Gerrie best redden, maar mevrouw Romy?

‘Ready?’ zei Topdog.

‘Yup.’

Laconiek, eh? Geef toe dat Al nog zin voor humor had op een hoogst dramatisch moment. Maar hij wist dat Gerrie hem zag. Topdog richtte, maar er scheurde wat. Tegels sprongen op. De wc-pot kwam los, alles sidderde, de DoW wankelde en schoof met de hellende vloer mee. Een gezicht dat buitengewoon voldoening schonk: Topdog op het punt in de diepte te storten. Hoewel. Al evengoed, want zijn stukje toilet stak het verst boven de afgrond. Het zij zo, dacht ie.

488.

 

De DoW kantelde verder.’Al! Al!’

Gerrie. Vastgeklonken. Ze ging mee neerstorten! Een mens kan niet aan alles denken, maar Al vergaf zich niet dat ie haar vergeten was! ‘Gerrie!’

‘Al!’

‘Gerrie!’

‘Al!’

‘Gerrie!’

‘Gerrie!’

Ze smachtten naar elkaar, maar konden niet in elkaars armen vallen. En hoorde Al ook mevrouw Romy niet smachten? Of hoorde hij een man? Hij luisterde extra goed, maar te laat, voor ie tot een conclusie kon komen, brak het herentoilet los en de ijzeren hond stortte in de diepte.

‘Ow!’ riep Al, want er versprong een wervel in z’n rug. Nog erger: hij viel mee de dieperik in. Maar hoor, er werd in het naburige damestoilet doorgetrokken. De deur ervan ging open, Bing ritste z’n gulp dicht, wipte naar buiten en greep Als arm. Heel het stuk bodega boven het ravijn brak af en wentelde met Als wandelstok in slow motion naar beneden. De DoW zelf viel pijlsnel door het extra gewicht van Gerrie en mevrouw Romy.

Bing had gelukkig de metalen buis van de waterleiding boven het herentoilet vast met z’n vrije hand. De buis hing er nog. Met zijn andere hield ie Al stevig vast. Daar hingen ze in het ijle.

‘Bing!’

Al voelde zich grenzeloos dankbaar en verrast: Bing hier! En Bing had hem van de dood gered! Z’n ogen begonnen te lopen.

‘Whoy?’ stotterde hij, ‘and whot is you doing here?’

‘Oy had to go to the loo urgently. Oy couldn’t have moy brother drop into the deep,

489.

 

could Oy?’

‘No.’ Ze keken elkaar aan. Ze verkneukelden zich.

‘And Oy had to help our postmen, eh?’

Dàt geloofde Al van geen kanten. Née, Bing wou Gerrie redden! Hij wou Al voor zijn! Hij wou de held zijn! Al was het even anders uitgedraaid. Dàarom was ie hier gatverdamme! Het zuur brak Al op.

al-en-bing-huilen-geluidloos-frame.jpgGerrie? Het werd hem zwart voor de ogen. Gerrie was mee in diepte gestort! Hij keek Bing aan en ze beseften dat ze hetzelfde beseften. Wat waren ze met hun leven nu Gerrie eraan was? Ontzettend. Ze begonnen allebei geluidloos te huilen.

***

Het was doods in de tapperij. De muziek stond af. De tijd stil. Al en Bing waren helemaal van hun melk. Als man hadden ze weinig weet van hoe je een goed rouwproces opzet, hoe je door je gevoelens heen moet leven, en dat maakte het allemaal nog moeilijker. Krop. Hoofdpijn. Hartepijn. Hoe heet dat allemaal wat je voelt? Ze moesten zich vasthouden aan de rail van de tapkast en de kastelein die ondanks een klein hoofd veel mensenkennis had schoof stilzwijgend verse kroezen slecht bier in hun richting.

‘Gerrie,’ mompelde Al.

‘Gerrie,’ mompelde Bing.

‘Oy’s never gonna forget her.’

‘Noither is Oy.’

‘Never.’

490.

 

‘Never never never.”Oy loved het with oll moy heart.’

‘Oy loved her even more.’

‘Oy doesn’t care one shoite about the outcome of that battle.’

‘Oy even less.’

‘Fock ‘em!’

‘Fock ‘em twoice!’

Ze zwegen. Ze grepen hun glas en dronken met grote teugen hun ontzetting, verdriet en alteratie weg.

‘Hey,’ zei de kastelein nadat ie de treurenden voldoende volume bier had kunnen leveren (factuur voor het hoofdkwartier van de posttroepen), ‘that oiron dog landed noicely on its feet down there, didn’t it?’

‘On its feet?’ zei Bing.

‘Bot she’s still aloive then!’ riep Al.

Ze herademden. Héel even toch, want Gerrie was evengoed nog in Topdogs macht. Ze renden de trap naar de toiletten af en keken door het grote gat in de diepte. Toiletpotten en wit-zwarte tegelvloer lagen beneden in stukken en brokken tussen de stalactieten van kak, maar van een DoW geen spoor.

‘So it did land on its feet,’ zei Bing.

‘Look!’

De DoW wankelde weg met een onredelijk grote buil op z’n kop, waarschijnlijk richting uitdeukbedrijf. Hij was al ver, maar ze konden Gerrie nog horen krijsen.

‘Poor Gerrie,’ zei Bing.

Dat had Al ook net willen zeggen. Ze wrongen zich de handen. En Gerrie maar gillen.

‘We must sive her!’ zei Al. ‘Somehow!’

491.

 

‘Somehow? How?’

Al zuchtte, staarde naar de DoW tot ie uit beeld was, vergat z’n lumbago en begon van razernij rond te trappen tegen de nog beschikbare hele en halve muren. Bijkomende partijen metselwerk stortten in de diepte en beneden galmde het van woedend geblaf. Al hield vlug op met trappen. Het krioelde beneden van de honden. Een verse linie stond kwispelend de modernste wapens op te stellen voor de eindstrijd. Al en Bing klommen inderhaast weer naar de gelagzaal, waar wat er over was van het postleger samengedrongen, belegerd, in het nauw, schijfjes droge worst zat te kauwen. Maar intussen was Gerrie in Topdogs klauwen. Al ziedde.

‘Eating tapas!’

Men keek geschrokken op.

‘Come on, Al. We can’t drink beer oll the toime,’ zei Marcel.

‘Goys, is tapas whot you’s come oll the why to the end of the world for?’

De verzameling postbodes keek Al aan met bolle wangen en maalde voort. De gezelligheid was er wel vanaf. Gescheurde jassen, volgescheten broeken, uitputting en berusting, kortom het wrak van de Medusa en die tapa’s waren véel te zout, maar ze gaven je wat te doen in moeilijke omstandigheden en bij wijze van zoenoffer bood de kastelein er Al ook een reuze bord van aan. Het werkte helaas niet bedarend. Al sloeg het uit ’s mans handen.

‘No!’ riep ie, ‘we’s here to change the course of history!’

Nou, niemand die hem tegensprak. Men wou het best voor waar aannemen, maar moesten ze daarvoor met z’n allen opstaan en zich buiten weer laten bezeren door die honden? En zonde van die tapa’s. Waarom, zou de kritische postbode hebben kunnen vragen, een reuze bord tapa’s om zeep helpen als je er een kip zonder kop door leek en gevaar liep niet meer geloofwaardig over te komen? Maar Al had het nog niet door.

‘So let’s oll put our caps back on,’ zei ie, ‘go out and show them dogs who’s on top!’

Vervelende stilte.

‘OK! Oy’s going down the hill and kick the stoff out of Topdog and his little farts boy

492.

 

moyself then!’

Hij schoot door het terugdeinzende volk naar de hoek van de zaal, greep er de opgerolde vlag en galoppeerde naar buiten. Ze zagen hem tegen topspeed het pleintje oversteken. Hij viel bijna over z’n vlaggestok.

‘Hey, goys,’ zei Bing, ‘please! One last push. You can do it!’ Hij was heel de tijd achter de kapstok blijven staan omdat ie Al liever alleen pathetisch bezig zag.

‘Isn’t your big boy overdoing it a bit?’ riep iemand vanachter een andere kapstok.

‘He’s jost got the hots for whot’s her nime,’ zei iemand anders.

‘Oh,’ zei Marcel. ‘al-loopt-met-vlag-gecorrigeerd-frame-70.jpg

Men strekte de nek. Ze zagen Al door het raam. Hij liep al door de vlakte met z’n grote rode vlag met blauwe vlek. Het hondenleger was niet ver en Marcel greep met z’n hand in z’n mooi gekamde witte haar.

‘Oh moy! No! He’s gonna get cot up!’

De postbodes keken elkaar schaapachtig aan.

‘Sotch a good boy. So ardent. Whot a fast learner he was when we first went out together on our round!’

‘Marcel, sit down and have a beer!’

‘No! No! You can’t let him go to pieces!’

De zaal begon zich te roeren. Nou, toch maar dan? Met scheppers en netten tegen superwapens? Al was het maar om van die zeur van een Marcel af te zijn?

Z’n vlag klapperde lekker. Al liep naar het hondenleger. Een woud cynomorfe bruten rees hoog en metalig boven hem uit en in hun luwte zag ie een fris leger van lenige lijven trillen, trappelen, snuiven. Veel oogwit, en hoe dichterbij hoe onvriendelijker geblaf, als van een miljoenenmeute, klaar voor de jacht, maar Al bleef dapper doorlopen. Hij zocht Topdogs DoW, maar zag hem

493.

 

nergens.

Flits. Knal. Nog éen. Nog éen. Voor en naast hem braakten projectielen vuur en schroot. Aarde spatte op. Al zigzagde. Meer knallen. Explosies. Hij bleef zigzaggen en, ‘Ow!’, daar liep ie aan tegen iemand naast hem met een nog grotere vlag. Hij keek verstoord opzij. Z’n ogen werden groot.

‘Bing!’

Bing bleef doorlopen.

‘Bing, whot on earth is you doing here?’al-en-bing-met-vlaggen-frame-85.jpg

‘Fock, Al, if you must be a fool, Oy can’t sty behoind.’

‘Bot you’s giving the gime awhy, Bing!’

‘Easy easy, mite.’

‘The goys is looking at you! They sees two Als!’

‘Let them.’

‘You can’t ply Al no longer! You can’t be a postman no longer!’

‘So Oy can’t.’

Hij gaf dus heel hun spel op! Het spel van wij zijn allebei Al! Om hier mee te strijden! Wat een offer! Al bedwong z’n ontroering als een echte man en slalomde dankzij de intussen verworven expertise met Bing verder tussen de kogels door.

Ze draafden al vijf minuten onvervaard verder, toen Al een niet te plaatsen gedruis hoorde. Anders dan het hondse gedoe voor hem. Hij keek om.

‘Eh?’

Het bleek geschuifel van duizenden spekzolen. De typische postbodespekzolen! Ze moesten allebei lachen. Het postleger kwam wat aarzelend opzetten onder een bos rode vlaggen met blauwe vlek. Klassiek: hoe moed anderen inspireert om dan ook maar te durven. En geen éen postbode die achterover viel bij het wonder van twée

494.

 

Als voor de prijs van éen. Geeneen die eng keek en ‘Two Als?’ riep. Ze hadden geen tijd voor kleinzielig gereken. Ze hadden wel wat beters te doen. Ze waren bezig met het winnen of verliezen van de wereldoorlog tussen hond en mens! Zo zie je maar. De gemiddelde burger, en zeker de gemiddelde postbode is véel toleranter dan we soms wel denken. Of had Art ze al lang gebrieft? Om het even, Al en Bing keken elkaar tevreden aan en vertraagden ongemerkt zodat de massa ze kon bijbenen. En toen werd ook nog het Postbodenlied ingezet. Eerst onzeker:

Whot lasses loikes most

Is boys from the post.

– Boys from the post!

Whot they loves without file

Is goys with hot mile.

– Goys with hot mile!

Dan krachtiger, en Al en Bing zongen mee:

For whot, dear madam

was ever better

Than that sweet letter

from your own Adam?

Madam, still better is

your grite letterbox

full of postal cocks!

– Full of boys from the post!

En finaal uit volle borst.

No we does not boast

495.

 

Bot there’s no service.– No service no service.Loike service from boys from the post!Cocks? – In the box!– Cocks? – In the box!

Misschien was het lied inhoudelijk wat ongepast voor een slagveld, volgens sommigen was het zelfs schunnig, tenminste als ze het goed begrepen, maar het was goed bedoeld en het had iets triomfantelijks, dit durven zingen in deze benarde omstandigheden. Een overwinning van de menselijke geest! En er viel nu ook een orkest in. Pauken. Trompetten in neo-primitieve symfonische stijl. Muziek die toch meer was dan consumptieflut en een authentieke esthetische ervaring garandeerde.

‘Brilliant! Where does it come from?’ Al keek rond maar hij zag nergens een orkest. ‘Did you fix that?’

Maar Bing die altijd alles kon fiksen wist nu van niets.

‘Fock, whotever,’ zei Al, want z’n stemming werd alsmaar beter van die muziek. Hij wist dat in de cockpits van hun machtige ijzeren reuzen, hoog boven het gewoel, leidinggevende honden elkaar nu vroegen of de jongens van de post hun verstand kwijt waren. Begrepen die van de post niet dat de machtsverhoudingen véel te ongelijk waren om met zoveel onnozelheid resultaat te halen? Dat ze klein grut bleven, hoe ze ook blaatten? Ach wat, het postleger rukte luid zingend op.

‘A marvel!’ zei een stem. ‘Whot a show!’

Al en Bing hielden op met zingen en keken elkaar aan.

‘Them uniforms! Them legs marching in harmony,’ zei de stem. ‘Beauteous! Doesn’t they mike you wonna weep, lidies?’

‘Omar?’ zei Al.

‘Them splendid baritones! Thousands! How thrilling! How bombastic! How

496.

 

endearing! How pathetic, considering this is the prelude to a blood bath on a planetary skile. Bot that’s drama for you, the drama you wonts and the drama you gets.’

Ze zagen geen Omar.

‘How totching. Gripping. Heartrending.’

‘Hey, look!’ zei Al.

Ze passeerden een bosje. Er kwam geluid uit. Er stonden camera’s in op lange grijparmen. Misschien was het zelfs geen echt bosje. Maar ze kregen geen tijd om observaties uit te wisselen want daar kwamen de duizenden honden aanstormen als éen vloedzee van tanden en ijzer. Als éen grote golf knalden ze over de tegenstand heen. Er ging een schok door het postleger. Rij na rij postbodes en vlaggen ging omver. Kreten. Bloed. Vuur. Vooraan, in dikst van de strijd, wankelden Al en Bing met hun eigen vlaggen. Ze hadden de grootste moeite om ze recht te houden en gelijk die hopeloze overmacht aan honden van zich af te slaan.

Bing zette zich schrap in een berg van gevallen lichamen. Zoveel razende honden sprongen op hem af, zoveel bekwerk zat aan z’n mouwen en scheurde ze uit elkaar, maar hoe afgemat ook, hij hield stand. Hond na hond ging tegen de vlakte.

‘Next one!’ riep ie. Overmoed. Wanhoop? Een reus in zwart uniform sprong hem met zoveel geweld naar de strot dat ie er helemaal van omver viel. Hij hield ook van dramatiek, want voor ie Bing doodbeet, keek ie hem recht in de ogen.

‘Edgar!’

Edgar had z’n bek te vol om gevat te antwoorden maar Bing las evengoed een smerig plezier in z’n ogen.

‘Ow!’

Edgar rolde twee meter weg, in een knoop van de pijn, maar tenslotte kon ie weer ademen en woedend worden, want dat deed je niet, hem onder de gordel slaan terwijl ie nog maar aan ’t dollen was met de tegenpartij! Hij keek op. Al stond wijdbeens over Bing heen met de scherpe punt van z’n vlaggestok naar Edgar. Even toch. Want hij had z’n vlag nodig om al het andere grollende ongedierte weg te

497.

 

meppen, hopeloze zaak in deze niet aflatende vloed van honden. Hij wankelde, viel. Daar lagen ze nu, in elkaars armen, zo goed als verloren en boven hen raasde de wereld. De muziek werd nu erg pakkend.

‘Gosh!’ riep Omar. ‘Lidies, drop your cookies! It’s over for Al and Bing! They’s as good as dead! Oh, how tragic.’ Zo tragisch dat ie gitaar begon te spelen, ping pingeling, en zong:

Moy oh moy oh moy,

Look at you poor goys.

Down there in the mock,

Foinally ron out of lock.

No brotherly love’s gonna do,

It’s o-o-over for both of you.

So hold hands and croy

For you’s about to doy.

Prachtig. En wat was Edgar nu ook onverbiddelijk mooi. Wat een atleet. Wie een ogenblik kon vergeten dat ie homofiel was, hond en totaal fout qua parfum, moest toegeven: net of de jonge Marlon Brando daar stond, klaar om Al en Bing finaal op te ruimen. Hij moest alleen nog groen licht krijgen van Topdog. Hij keek omhoog naar diens dog-of-war.

 

 

 

 

 

 

498.

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s