It’s over, Al!

Waarin …

‘Oh Gerrie!’

Bings broek spande zo dat ze ervan kreunde.

‘GERRIE!’

Hoe was het ook zo ver kunnen komen! Het was een stralende, begenadigde morgen en vandaag zijn beurt om postbode te spelen. En toen ie thuis vertrok had ie maar éen ding in z’n hoofd: het pure postbodeschap, dàt ging ie waar maken en vurig beleven, maar hoe ontzettend was alles binnen een half uur veranderd! Ook nu had ie maar éen ding in z’n hoofd, maar het zat in z’n broek. Zodra hij was beginnen stappen, had ie de tomeloze kracht gevoeld van het uniform waar Gerrie zo ontvankelijk voor was. Nou, daar moest ie gebruik van maken. En, begreep ie, de kust was klaar. Al was zo bekaf van gisteren dat ie op dit eigenste moment nog zinneloos hard lag te pitten. Dus Bing had haast, hij moest naar haar, metéen, maar hemeltje, al die vervelende brieven! Hij moest die wel nog bestellen. Dat bestellen viel bovendien zo al niet mee. Mensen bleken nooit nog brieven te verwachten. Brievenbussen vol vergane flessen melk. Vogelnesten. Beton. Je kon de bus niet vinden. Of je moest een kilometer ver een tuin in om die brief erin te stoppen. Zo kwam ie nooit bij Gerrie! Hij was intussen wanhopig.

‘Gerrie Gerrie Gerrie,’ mompelde hij, en toen kreeg ie een ingeving: ‘Whoy doesn’t Oy jost throw them awhy, Gerrie?’ Allemaal gelijk over z’n schouder, zwiep. Hij stond stil.

Nee. Te weinig gesofisticeerd. Hij kon ze minder opvallend en zorgvuldiger weggooien, eén voor eén.

Nee. Daar kroop even veel tijd in als in ze bestellen. Hij kon ze ergens veilig opbergen op een verantwoorde plek en ze daar vergeten. Maar waar?

Nee. Dat bedenken duurde al veel te lang! De kwelling! Goh, hij had recht op z’n gevoelens en een mens moest keuzes maken. Wat was het belangrijkste? Gerrie of die

99.

 

stomme brieven? Nou dan! Hij stond net bij een beukenhegje. Het ratelde aantrekkelijk zachtgroen in de wind. Ah. Hij haalde de brieven dus uit z’n tas, bekeek ze (xxiv), rolde ze kordaat op tot éen grote worst, stak ze diep in de heg en klaar was kees. Perfect. Je zag ze zelfs niet meer zitten. Hij keek er een ogenblik tevreden naar en toen liep ie snel weg richting Bongalow. Hij zag Edgar dus zelfs niet staan achter het hegje. Maar net dit hegje was een gecertifieerde hangplek voor het locale hondendom (xxv)! En Edgar een Rottweiler. En Rottweilers zijn loyaal, waakzaam tegenover vreemdelingen en bereid om te werken. Edgar begon bijgevolg misnoegd te grommen, maar Bing was al te ver. Hij dacht trouwens veel te intens aan Gerries dijen om wat dat ook te horen. En daar werd Edgar alleen maar misnoegder van. Niet omdat er bij die brieven misschien eentje voor z’n baasje zat. Maar vanuit honds standpunt. Want hier kwam onherroepelijk een rel van. Vroeg of laat vond de een of andere arme drommel die niet van heggen af kon blijven die brieven. Een tuinman, een kakrecupereur, iemand in elk geval, die beroemd wil worden. Hij belt dus Omar, en Omar blaast in de naam van het kijkcijfer de heg op tot een schandaal van hier tot daar. Duizenden zeurpotten die nooit in hun leven een brief van de post hebben gezien, roepen dat hen onrecht is aangedaan, eisen astronomische bedragen en wie krijgt de schuld? De hangplek! Zij komt in diskrediet en wordt opgeheven. Intussen is de behoefte aan hangplekken enorm. Is het al zo moeilijk jonge honden te integreren in deze prestatiemaatschappij met de psychologische druk waaronder ze opgroeien. Vooral de homoseksuele, waar Edgar extra mee te doen had. Nee, Dit. Kon. Niet. Hij wist dat ie als modern beest door de band alleen aan zichzelf dacht, maar hier kreeg ie toch de tranen van in de ogen. Dit was onverantwoord. Tragisch. Die arme jonge hondjes gingen weer de schuld krijgen. Hoe, vroeg ie zich af, kon Bing die altijd zo wakker was, zo onzorgvuldig, zo zorgeloos, zo lam handelen? God, wat dwong hem nu om brieven in een beukenheg te steken? Als hond op leeftijd wist ie het antwoord gelijk: een vlaag van zinsbegoocheling. Waan. Hormonen. De onnozelaar was verliefd. Maar daar kon Edgar geen genoegen mee nemen. De hangplek was duidelijk herkenbaar als dusdanig door de geur en de gepersonalizeerde bolussen eromheen. Bing had ze diréct moeten herkennen. Hij deed dit willens nillens. En daar werd Edgar zo woest van dat ie ie onverhoeds liep te rennen als een gek. Hij had er eigenlijk niet echt een beslissing over genomen, hij ondervond gewoon dat ie met alle vier poten door de lucht en een rode mist voor z’n ogen vooruitklauwde, maar bij nader inzien vond ie het wel goed.

100.

 

Bing zag nu de Bongalow en de spanning in z’n broek liep er zo hoog door op dat ie niet merkte hoe Edgar hem discreet volgde. Edgar had zichzelf weer in de hand. Hij had even in afzondering een dozijn vuilniszakken gruwelijk gemolesteerd en z’n woede was nu gekoeld, maar hij was nog evenzeer van plan kordaat maar rustig uiting te geven aan z’n rechtvaardigheidsgevoel. Wel niet terstond, want kijk, Bing stond al op de overloop bij Gerries deur in de Bongalow, de deur die dadelijk glorieus zou opengaan en hem Gerrie zou openbaren.

‘Oh Gerrie!’ zei ie alvast.

Hij was zo geroerd. Hoe was dat toch mogelijk? Hij begreep het zelf niet: iemand als hijzelf? Een koele manipulateur die alles in de hand hield? Dat Al zo deed, tot daartoe, maar hij? Intussen was het wel leuk.

‘Oh Gerrie DARLING!’ zei ie dus nogmaals, en met luider stem.

Pang, z’n broek schoot in brand. Hij wankelde ervan. Hij had het niet ongraag maar z’n fakkel stak zo ver vooruit dat het onpraktisch werd. Zelfs gevaarlijk. De deur kon dicht gaan, Bing ertussen zitten en Gerrie het verkeerd opvatten. Hij duwde meneer met grote inspanning de linkerpijp van z’n broek in, controleerde of z’n been niet buitensporig veel dikker was, nee, haalde adem en stak z’n vinger uit naar de bel.

‘Oh darling, let’s mike love roight now!’ zei ie en hij wou drukken.

‘OK, bot whot about the letter?’ zei iemand.

Hij draaide met een ruk om en vond voor zich een goed gevulde mevrouw met grote oorbellen en grote neusgaten waar je zo in kon kijken. Hij klasseerde haar met z’n mensenkennis zo bij de grote boezems. En de MM’s (xxvi): fanatiek koek bakken, aandacht willen en maar bevelen geven. Hij wist nu al zeker: hij ging haar koekendoos in éen ruk moeten leeg eten. Angst greep hem aan. Maar nam dan weer af, want ze leek fel op Gerrie, hoewel compacter en toch blubberiger. Ze was zo te zien de trap afgeslopen vanuit de flat boven Gerrie. Ai. Dít, wist ie met een schok, en hij kreeg het koud van ontzag, was Gerries Moeder. De Poort naar Haar? Hij kon in elk geval beter goed oppassen. En goed slijmen. Hij keek haar allervriendelijkst aan.

‘A most agreeable morning, Ma’m. Can Oy help you?’

‘Doesn’t you postmen come in for tea no more?’

101.

 

‘Doesn’t you postmen come in for tea no more?”Oy’s in a froightful horry, Ma’m.’

‘Indeed, for where’s moy letter?’

‘Whot letter?’

‘There you is! You doesn’t even know! Whot koind of service is this? Whot’s your nime, young man?’

‘Al, Ma’m.’

‘Well, Al, whoy’s there no letter for me todie?’

Vervelend. Misschien stak haar brief nu ook in de heg. Hij wist het niet en verdomme, hij kon het haar ook niet zeggen, hij had geen tijd. Geen tijd omdat ie – hij kon echt aan niks anders meer denken – dadelijk Gerrie in haar canapé van zoveel liefde ging voorzien dat het weerlichtte tussen haar benen.

‘Oh, sweet Gerrie!’ zei ie luid en opgewonden zonder dat ie er wat aan kon doen.

‘Whot?’ zei Gerries Moeder.

Hij kreeg geen tijd om te antwoorden, want hup, van de weeromstuit werd z’n fakkel een vuurtoren. Hij keek naar beneden. Z’n broek bolde op als een feesttent. Hij wist niet goed hoe mevrouw het zou opvatten, en hij draaide dus behoedzaam van haar weg om haar te behoeden voor ongewenste visuele effecten.

‘It’s them dogs, Ma’m,’ zei ie over z’n schouder. Hij probeerde de tent met alle macht naar beneden te duwen.

‘Dogs?’

‘Animals. Awful. Oll over the plice, impeding our task.’

‘Impeding?’

‘Boiting os. In delicate plices. Oy can no longer sit and drink tea properly, Ma’m.’

Leugens! Edgar vrat zich op beneden aan de trap in het donker. Hoe alweer honden de schuld kregen!

102.

 

‘So sorry the post office can’t give you oll the service you expects for the moment, Ma’m.’

‘The post office!’ ‘The dogs!’ Edgar haatte generalisaties. Of alle postbodes voortdurend in hun gat gebeten werden! Of honden niet konden dozeren! En geen complex zieleleven hadden! Of je ze zo maar mocht kwetsen! Door dat zo maar nonchalant en public te zeggen terwijl er een hond je hoorde! Te veel was te veel en Edgar sprong naar Bing. Z’n muil ging gevaarlijk ver open. Hij grauwde, al dat roze lilde, Gerries moeder gilde, maar Bing draaide net op tijd weg en Edgar beet in de deurstijl in plaats van in Bings hand.

‘You sees?’ zei Bing, maar Gerries moeder was van de trap gevallen en had geen zin meer in bewijsvoeringen en op dat ogenblik ging Gerries deur open. Bing handelde instinctief. Hij stapte naar binnen, trok de deur met een klap dicht en Edgar en Gerries moeder bleven alleen achter. Wat waren ze ontevreden.

 

Gerrie staarde Bing aan. Z’n fakkel was nog altijd van de partij, maar van nadrukkelijke tentvorming was er op dit moment geen sprake meer en Gerrie zag niets. Dat viel dus mee, maar ze had haar jas aan. En Keekee de zijne. Hij stond naast haar te trappelen. Dringend aan poepen toe. Niet op letten.

‘Gerrie!’

‘Al.’

Ze zei het helaas zonder veel vibrato. Ze had evengoed cotelet kunnen zeggen. Bing hield ze wel open, maar Gerrie viel niet in z’n armen. Hij glimlachte extra flitsend. Noppes. Hij deed z’n armen maar weer dicht. De magie van pet en uniform wou niet werken. Ach, misschien was het ook wat veel gevraagd, daar in het halletje. De weer aan elkaar geplakte aardewerken wilde met z’n sigaar vooruit in de hoek maakte Bing al te zeer bewust van de zijne. Hij bleef daar maar staan koekeloeren. Hoe verlammend! En je kon elkaar veel beter en gezelliger vastpakken op een canapé. Je ligt dan al vanzelf op elkaar. Je kunt niet echt omvallen op een canapé. Hij probeerde betekenisvol om haar heen door de open deur naar de canapé te kijken in het salon en haar mee te doen kijken, maar ze bewoog niet. De canapé evenmin. Pff. Hij ging zich niet laten ontmoedigen door een canapé! Hij keek opgewekt.

‘Gerrie, Oy’s got some good tips for your script.’

103.

 

‘You has?”Yups.’

‘Tell os whoile we wocks. Oy’s jost leaving with Keekee.’

Het trappenhuis was nu gelukkig verlaten. Ze liepen zwijgend de gang door, het klinkerpad af, hekje open, dicht, trottoir op. Keekee keek om en glimlachte. Edgar volgde discreet op afstand.

‘Is they still gonna come?’ zei Gerrie tweehonderd meter verder.

‘Who?’

‘Your good tips.’

‘Can we sit somewhere?’

‘No. Keekee is about to splodge. Boy the why. Whose hand is this?’

Ze studeerden de hand samen. Ze lag op haar bil.

‘Oh. Moine.’

Hij keek onschuldig jongensachtig. Dat werkte altijd.

‘Oy’s given your script some thoughts,’ zei ie om haar af te leiden. ‘She,’ (scripts gingen altijd altijd altijd over een she – en over wat ze voelde, diep van binnen, ah!) ‘is marvellous, bot him! He needs, eh, more.’

‘Well well well.’

‘Your heroine is oll roight. Strong. Knows whot’s op. Been languishing for love so long, so when she foinds him, she throws herself into his arms and mikes him oh so happy.’

Ze keek hem aan. Ze stonden nu waar de straat plotseling Magnolia Garden werd. Ooit was Loilac Line tijdens de veldtochten voor de salonnificatie van de openbare weg niet alleen voorzien van 5 km-borden en muurtjes van een halve meter dwars over het rijvlak om sloicers te doen crashen, maar ook van Veel Groen. Veel Groen is zo belangrijk. Op dit ogenblik keek dus een partij homoseksuelen op jaren achterdochtig op uit de struiken naar Bing en Gerrie die elkaar daar zo platonisch

104.

 

stonden aan te kijken.

‘She mikes him oh so happy?’ zei Gerrie.

Bing knikte.

‘Bot you hasn’t seen moy script! It’s about foibres!’

‘It’s ollwhys loike that.’

‘Ah. You knows whot wimmens is loike, eh?’

‘Yes, moy sweet dockie.’

‘Whot’s that hand still doing there then?’

Bing grijnsde opnieuw uitvoerig maar daar knapte z’n nek van de klap tegen z’n kop.

‘Ow!’

Z’n pet vloog zo snel weg dat Edgar en Keekee zich niet konden bedwingen. Keekee vergat hoe zeer ie moest kakken, maar aan Gerries leiband kwam ie met een snok tot stilstand. Edgar vergat dat ie ondercover was, schoot door, snapte de pet dan maar

alleen en danste er triomfantelijk mee door de poepwei. Takken kraakten. Hij boorde zich woest door het bukshout. Hij schudde de pet meedogenloos heen en weer als een dood konijn, maar ze reageerde niet en na wat geblaf liet ie ze ontgoocheld achter in het struikgewas.

Bings hoofd floot. Gerries vingers brandden in z’n wang. En de pet lag diep in de struiken. Holy potato. Hij moest ze proper teruggeven aan Al. Hij moest ze recupereren. Hij zonk op z’n knieën. Shoite, z’n broek! Die ging onvermijdelijk ook vuil worden. Hij kroop op handen en voeten het struikgewas in. Het viel niet mee. Takwerk en stront en z’n fakkel weer vuurtoren. De klap van Gerrie had hem opnieuw opgewonden en waar Bing ook wou kruipen, meneer zat in de weg. Een fijne mist daalde intussen neer. Keekee stond royaal tegen de bukskubus te piesen waar Bing onder lag. Daarna lei ie vijftig centimeter mooi in elkaar gekruld bruin op Bings terugweg. Ja, wat wil je? Waarom was Keekee naar hier gekomen? Een hond heeft recht op kakken en piesen! En ritueel z’n voeten vegen. Alle vier poten gelijk. Vlokken gras vlogen Bing in het gezicht terwijl ie moeizaam met de pet om Keekees

105.

 

werkstuk heen uit de struik kroop. Hij raakte de krul alleen met z’n elleboog.

‘Al!’

Bing keek op.

‘Thanks for the tips.’

‘Oh, don’t mention it. Gerrie? GERRIE!’

Ze was al weg met Keekee.

Edgar niet. Hij was nog niet klaar met z’n gevoelens en wou ze goed verwerken door Bing in de kuiten te bijten, maar Bing deed niet mee. De egoïst. Hij rende te hard. Hij liep zo hard als ie kon Gerrie achterna, maar ze was nergens nog te zien. Hij stond al bij de Bongalow te hijgen. Geen Gerrie. Naar binnen dan maar. Trap op. Aanbellen.

Er deed niemand open. Misschien was ze niet naar huis gegaan. Ze kon onmogelijk zo snel van plantsoen naar bongalow zijn geschoten. Was ze de Smart Socker Mart in gegaan? Nee, daar mochten geen honden binnen. Het meest logische was dat ze nog altijd tussen de struiken stond met Keekee. Waarom had ie niet beter rondgekeken? Terug naar Magnolia Park. Vermoeiend. Hij was bekaf toen ie er weer door de struiken liep, maar hij zag haar nergens.

‘Gerrie! Gerrie! Gerrie, please!’
Geen enkele struik reageerde. Hij durfde niet te veel roepen want de homoseksuele ouwe knakkers begonnen wrevelig te doen.

‘Fock! Fock! Fock! ‘ riep ie uit alle macht en een habakuk met pijp leunde uit een struik.

‘Easy easy. Plenty of wimmens in the world, boy.’

Altijd hun mond vol clichés, ouden van dagen.

‘How would you know?’

Pijp zweeg. Te oud. Hij kon geen details meer aan.

106.

 

Een geluk dat er niemand van hogere rang bij de post Bing de rest van z’n ronde zag doen. Hij was een schande voor het vak: sikkeneurig en zonder veerkracht lopend, pet verfomfaaid, elleboog vol kak, knieën vol slijk en een spoor van gekreukte brieven en teleurgestelde dames die geen bezoek hadden gekregen.

Al vroeg zich de volgende morgen luid af wat er in hemelsnaam met z’n pet en uniform gebeurd was, maar Bing lag voor éen keer niet in bed om het mooi uit te leggen. Hij schaamde zich zo ontzettend dat ie dan maar via de meest onmogelijke maar minst gefrequenteerde zijstraten naar het postkantoor sloop, alwaar het personeel hem in het oog kreeg, nog voor ie binnen was. Zodra hij de deur openduwde, liep Marcel liep hem al ontzet tegemoet.

‘Man! Whot happened? Is that shoite?’

‘It is!’ riep Art. Hij wist veel van schijt af.

‘Wrong toime for shoite!’ zei Marcel. ‘You has to look good todie, especially todie, to impress Mr Fred.’

‘Sorry.’

‘No problem, Oy’s got the key.’

Marcel hielp hem op de zolder in een vers uniform. Ze hadden er genoeg en meneer Fred was gelukkig erg onder de indruk van het verhaal hoe de Millbeck Dog Rangers honden vingen in grote hoeveelheden. Art stopte het verhaal in het belang van de betrokkenen creatief juist voor de passage waarin het peloton slimme honden de gevangenen bevrijdt en bijgevolg was meneer Fred tweehonderd procent voor een eigen Whammle Dog Rangers experiment.

‘We should start smoll,’ zei Al.
‘Good point,’ zei meneer Fred, ‘few Rangers – huge retorn.’

‘And,’ zei Art, ‘we should move fast to cover enough sorface.’

Meneer Fred keek hem wantrouwig aan.

‘We needs the vanette.’

Meneer Fred was in tweestrijd. Enerzijds kon het vrijgeven van het bestelwagentje

107.

 

tot uitspattingen buiten z’n gezichtsbereik leiden. Anderzijds moest hij risico nemen als hij roem wou oogsten.

Gevolg: de Whammle Dog Ranger Patrol sloop nu stapvoets in z’n PW (xxvii) door de straten, rondspeurend naar foute honden om er de Millbeck-aanpak op toe te passen, maar àlleen binnen een straal van éen kilometer rond het postkantoor. Frank had het autootje met enkele eenvoudige grepen omgebouwd tot een PW. De laadruimte vanachteren had ie bij middel van snel loodgieterswerk met een rek opgedeeld in kooi en passagiersruimte. Probleem: indien de kooi groot genoeg was om éen of twee honden te herbergen was de passagiersruimte te klein voor passagiers. Maar honden hadden voorrang! Links en rechts op de portieren vanvoren stonden nu, volgens de instructies van meneer Fred in fraaie letters alle belangrijke gegevens. Ze stonden er allemaal van te kijken.

clip_image001.gif

‘Very, very noice, Frank,’ zei Marcel, ‘let’s go!’

Men wreef zich al de handen. Ze hadden er allemaal flink zin in.

‘No. We needs a good lock on the back door first.’

Gemor. Wat ging dat weer duren! Niemand had zin om daar nog op te wachten.

‘Ever heard about a dog whot could open car doors?’ zei Art.
‘No.’

Dus ze reden zo weg. Art aan het stuur. Al langs hem. Achterin Marcel en Frank, opgevouwen met grote scheppers in hun vuisten. Bedoeling was honden op

108.

 

heterdaad te betrappen op anti-post en bij uitbreiding anti-sociaal gedrag zoals op het trottoir kakken, dames of nog erger postbodes bijten en poststukken misbruiken, ze bij middel van de schepnetten te immobilizeren en hun eigenaars te confronteren met de vrucht van hun gedrag: kapotte pakjes, bloedende dames, walmende shit en hen om rekenschap vragen. Maar het ging niet naar wens.

‘Where on earth is them goddamn dogs?’ zei Frank na een poos. Hij wond zich stilaan op en z’n handen tastten rond naar iets wat ie los kon scheuren.

‘Oy’s getting thirsty,’ zei Marcel.

‘We’s been roiding around for three hours,’ zei Frank, ‘and Oy’s seen no single dog boiting whotever.’

‘Very very thirsty,’ zei Marcel.

‘Let alone a dog boiting postmen,’ zei Frank.

‘Quoite logical,’ zei Al, ‘they can’t boite postmen. There’s no postmen doing rounds now. They’s oll of them in this car.’

Om dat te verhelpen stopte de dienstwagen daarna bij elke hoopvolle gelegenheid, i.e. een hond op z’n hurken en telkens was Al als jongste geluidloos op z’n spekzolen uit het dienstwagentje geklommen en de hond van achteren genaderd met het schepnet in aanslag. Deze aanpak bood dubbel zoveel kans op goeie redenen om de hond te arresteren:

clip_image002.gif

A. Hopelijk was Al onhandig genoeg om de hond met z’n achterbaks gesluip te provoceren en zich te laten bijten. à Arrestatie wegens bijten van postbode.

B. Hoogst waarschijnlijk stond de hond op kakken. à Arrestatie wegens gevoeg in het publiek (minder erg en minder spectaculair, maar ze konden nu niet kieskeurig zijn).

109.

 

Maar telkens liep het dik mis. Omdat:

clip_image003.gif1. de hond niet scheet.

2. Wel scheet maar bijtijds een bongalow in dan wel een gat in een schutting door kon rennen.

3. Wel scheet zonder bongalow of schutting met gat in de buurt, maar wel zo hard rechtdoor ging, dat Al zich hopeloos belachelijk maakte.

In geen enkel geval had éen van de belaagde hurkende honden zich tegen Al gekeerd. Een tegenvaller. De lat werd dus nog lager gelegd. Om de situatie hond-bijt-postbode meer kansen te bieden werd er niet meer specifiek uitgekeken naar kakkende honden, maar naar honden-zonder-meer, en Al moest ze met open vizier en geheven schepper tegemoet treden zodat ze zich de bedreiging goed konden voorstellen en voldoende reden en gelegenheid kregen om hem smerig in z’n been te bijten. Waarna terecht kon opgetreden worden. Akkoord, ze speelden het spel zo niet voor honderd procent eerlijk, maar het was voor een goede zaak. En het doel wettigde de middelen. Soms. Toch in dit geval. Het ging om de glorie van het postkantoor van Whammle. Ook deze benadering bracht evenwel niets op en een sfeer van moedeloosheid en alsmaar prangender dorst vulde de dienstwagen.

‘Oh no, we can’t go back loike this,’ zei Art. ‘You knows how motch four postmen costs? Four postmen on the road for a whole die? We can’t stand in front of Mr Fred completely empty-handed!’

‘Bot you comes back empty-handed every die!’ zei Al.

‘Well, this is morally wrong. Can you imagine: postmen onable to catch a dog?’

‘Yes,’ zei Marcel.

‘NO!’ riep Art, ‘it’s morally wrong! It’s an insolt to postmenhood in general! We can’t droive back without at least one dog!’

Hij keek verwijtend in Als richting.

‘OK,’ zei Al, ‘Oy’s gonna catch one, bot on one condition.’

110.

 

‘How’s that?”Oy’s also officially gonna be the one who caught it.’

De heren meesmuilden, maar niemand zei nee. Jammer, want ook deze concessie hielp niet geen barst. Al bleef vruchteloos scharrelen. Geen hond die wou bijten. Het werd donker en meneer had er nog altijd geen gevangen. Het gezeur in de PW was niet meer te harden. Tot Frank ‘Look!’ riep. Ze reden net een slecht verlicht vergeten pleintje op.

‘Fock! Look! LOOK!’

‘Shhhht!’

Voor ze stond een kanjer van een hondenbeest. Hij kon geen kant op want aan drie zijdes stond het plein vol haveloze afgeschreven kantoren waar vroeger zo meedogenloos hard administratief in gewerkt was dat nu alle ramen kapot waren. Onze hond keek weg van onze postbodes of ie zich van geen kwaad bewust was. Hij droeg geen bril maar misschien hadden de jongens toch te maken met een intellectueel die genoot van somberte en miserabilisme, meer dan van het gladde optimisme de rigueur in Brossels. Wat stond ie hier anders te staan? Nou, een intellectueel? Dàt ging ie dan bekopen! Marcel zette het wagentje dwars zodat ook de vierde kant van het pleintje afgesloten was, ze stapten deze keer alle vier uit en prachtig op een rij met de scheppers geheven verkleinden ze langzaam maar methodisch het deel van het plein dat de hond nog over bleef.

Hij bleef gewoon staan, met z’n gat naar z’n belagers, of ie het te druk had met het bouwwerk voor hem, of ie niet te intimideren viel. Al hief z’n schepper.

De hond keek om.

‘Edgar!’ riep Al, uit het veld geslagen.

Edgar zei niks. Hij was vanavond een eind gaan wandelen. Hij had recent zoveel pijnlijke teleurstellingen opgelopen, altijd weer met diezelfde Al (Als been waar ie van Gerrie niet in had mogen doorbijten, z’n brieven in de haag, z’n anti-hondenpraat, z’n pet) dat het hoog tijd was voor een verwerkingsproces, maar dat waren Als zaken niet.

111.

 

Al liet z’n schepper zakken, , waarschijnlijk uit voorzichtigheid, want zodra hij met die schepper zwaaide was de kans op weer een hap uit z’n bil klaarblijkelijk reëel. Frank zag dus z’n kans, zwaaide, en pats, daar kwam z’n net neer, naast Edgar die met enkele vaardige pasjes als een klassieke balletdanser al buiten bereik was, maar niet omgekeerd want Frank ving een mooie beet in z’n hand. Hij liet een kreet alsof het hem niet echt beviel en de rest van het gezelschap kon als bij toverslag Edgar ook niet meer volgen. Al spurtte Edgar dan maar alleen na, de bouwval in. Hij moest wel. Hij had de jongens in z’n overmoed toch een hond beloofd. Hij rende door lang niet gestofzuigde gangen. Over uitgesleten linoleum en losse tegels. Langs muren met baarden van schimmel. Edgar links weg. Rechts. Links. Het ging Al niet goed af. Z’n benen begonnen al te verzuren. En z’n knie begon te steken. Hij was bang dat ie plotseling weer ‘krak’ ging horen en dat ie met een scheef hoofd verder moest rennen. Hij was niet gemaakt om uren lang honden na te zitten, begreep ie. Een zuiver fysieke krachtmeting, bah! Maar wie weet bracht diplomatie wat op.

‘Edgar! Listen! Let me catch you!’

Edgar rende.

‘Please. Jost for the show, Edgar.’

Edgar haperde in z’n galop. Was dat gekuch? Of moest ie lachen en kon ie er niet mee stoppen? Hij verloor vaart, ging al stapvoets en Al kon, tot z’n verwondering, z’n net zo over hem heen slaan. Ze keken elkaar aan. Als het ware van mens tot mens. Maar Al kon toch niets in die ogen lezen. Was ie uitgeput, Edgar? Het weglopen beu? Verkouden?

Ach, Al ging er niet over tobben. Genoegen van de vangst ging voor, en hij ging het onmiddellijk delen!

‘Boys!’ riep ie. ‘Oy’s caught him!’

De postbodes kwamen eraan rennen. Ze hielden halt op veilige afstand en keken tevreden toe met hun handen in hun zij.

‘Wotch out for them teeth!’ zei Marcel met kennis van zaken, maar Edgar hield het bij een superieure grijnsmuil terwijl ze hem voorzichtig in het net gewikkeld met verenigde krachten naar de auto droegen. Hond erin, deur dicht. Art gooide het

112.

 

stuur om, en koers naar prins Bocko, dat was de procedure.

‘Dog’s owner’s responsible,’ zei Art tegen Edgar, ‘so let’s confront him! Fock oll, he can’t let you roam oll over Whammle alone, can he?’

Edgar grijnsde alleen maar.

Art hield halt voor de bongalow van prins Bocko toen Al zich onverwacht op het voorhoofd sloeg. Wegens geweldige inval: als ie op iemand indruk wou maken, dan toch op Gerrie! OK, niet te grof, subtiel assjeblief, want hij was van nature geen opsnijer, maar ze woonde maar een paar bongalows verder. Dus.

‘Art!’
‘Yes?’

‘Droive on!’

‘Whoy?’

‘Jost droive on and stop in front of that bongalow over there.’

Al stopte voor de Bongalow.

‘Honk!’

Art toeterde.

Gerrie kwam niet aan het raam.

‘Honk agine.’

Maar hoe Art ook toeterde en toeterde terwijl hij, Frank en Marcel er minder en minder van begrepen, er gebeurde geen klap in de bongalow. Nou, dan was het woord aan Al. Hij sprong uit de PW en rende het pad op. De buitendeur stond weer op een kier. Hij naar binnen, de trap op. De deur van haar flat was wel dicht. Hij klopte. Hij belde. Geen reactie.

‘Gerrie! Ger!’

Geen reactie. Waar kon ze zijn? Was dit het moment van de dag voor Keekees uitje?

113.

 

Hij keek op z’n horloge, en op dat moment hoorde hij een hond grommen. Keekee. Hij had zeker net Edgar in de Patrol Wagon gevangen zien zitten en hij ging blijkbaar niet akkoord, want hij hing al in Als scheenbeen te bijten.

Al wou luid ‘Ow!’ roepen, maar net zag ie Gerrie ook het gangetje inkomen met een leiband in de hand. Hij bedwong zich en liet Keekee even hangen, hoe pijnlijk ook.

‘Gerrie,’ zei ie mild, ‘could you ask Keekee to calm down?’

Maar Gerrie keek helemaal niet happy. Al dook ze grommend niet naar naar z’n andere been en al beet ze er niet uit alle macht in, haar blik priemde.

‘Agine here, is you?’

‘Agine?’

‘Yes. Hasn’t Oy given you a good smack todie ollready?’

‘Smack?’

‘Hasn’t you onderstood?’

‘No.’

‘Well, here’s the message officially then, Al!’

En haar vrije hand kwam op eigen initiatief al aanzwaaien en baf, hij viel achteruit van de dreun tegen z’n kop.

‘OW! Bot Gerrie’

‘It’s over, Al!’

‘Over?’

‘Out. Between os! Oy doesn’t loike saucy blokes!’

Al duizelde. Hij begreep het niet. Had ie de bons gekregen? Zo snel? Was het al aan dan? Maar dat het al aan was geweest, vond ie hoopvol.

‘Oh,’ zei hij, ‘that’s a noice start.’

114.

 

‘Al, fock off!”Sure, bot could you jost expline oll this, Gerrie?’

‘Oll roight. Keekee, get him!’

Keekee hing nog altijd aan Als been en hij moest zich dus beperken tot deskundig tussen z’n tanden door grommen.

‘Oy hasn’t got toime now,’ zei Al, ‘bot we should tock this through liter, Gerrie.’

‘Oh we should? Keekee, boite him! Boite him as hard as possible!’

Het was menens nu. Keekee liet los en veerde weer omhoog, maar Al sprong opzij en Keekee miste. Al rende de trap af en door het halletje beneden naar de voordeur. Hij wou ze openrukken en naar buitensprinten, maar Keekee volgde al niet meer volgde. Te laf voor een confrontatie met de post als eensgezind lichaam. Hij hield halt. Hij kon beter zichzelf weer in de hand krijgen voor ie terug ging naar de jongens, maar terwijl ie stond te hijgen, verbijsterde hem pas goed wat ie net had meegemaakt. Dus hij had echt wat gehad met Gerrie? Niet slecht! Helemaal niet slecht! Maar hoe had ie haar zo kunnen laten toeteren dat het uit was? Hoe had ie dat kunnen accepteren? Hij was haar nu wel helemaal kwijt, voelde hij, en een grote treurigheid beving hem. Hij had zin om uitvoerig te gaan huilen, maar Marcel of Frank leken hem niet geschikt om je hoofd tegen aan te leggen en het uit te snikken. Hij ging doen of er niks aan de hand was. Hij wachtte tot z’n hart rustiger was en wandelde terug naar de auto. Hij grijnsbekte naar Art, maar constateerde tot z’n ontsteltenis dat ook in de auto de sfeer niet meer goed zat. De hoofden hingen.

‘Everything onder control, Art?’

‘No.’

‘No?’

‘Dog’s gone.’

Al keek. De kooi was leeg. Het deurtje van de PW vanachteren stond op een kier met de klink omhoog. Hoeveel klappen kan een mens verteren? Al wankelde.

‘Oy wouldn’t worry,’ probeerde Marcel, ‘he’s gonna come back. He’s jost gone for a

115.

 

pee of course. He’s clever. He’s poloite.’

‘Marcel, stop it! Does you think we’s fools?!’

Het was zinloos, tenzij om te bedaren, dus ze inspecteerden met z’n vieren toch de achterdeur, onthutst, verslagen, want ze hadden nu niets meer om meneer Fred te tonen. Gewone deur. Gewone klink. Niet echtop slot, maar goed dichtgemaakt met een paar ongebruikelijke grepen. Naast de klink hingen trouwens instructies van de fabrikant hoe het moest.

‘He read it!’ zei Art.

‘Did he?’

‘Could he?’

Ze keken elkaar verbaasd aan.

‘Since when can dogs read?’ zei Art.

‘Logic,’ zei Frank.

‘Is it?’

‘Ah. They sees humans reading oll the toime. They jost imitites it. Whot would you do if you was them ?’

‘Didn’t Oy tell you?’ zei Marcel.

‘Whot?’

‘That he was gonna come back.’

Ze keken op en ja! Niet te geloven, daar stond Edgar voor de schokdemper van de wagen! Neus in de wind. Of ie ze wou uitdagen. Dat maakte Al nog bozer. En hij was graag boos nu. Woede was beter dan ontmoediging.

‘Goys, get him!’

Frank tilde z’n net in de hoogte, maar Edgar toonde z’n tanden en Frank liet het snel

116.

 

weer zakken. En kijk, Edgar liep nu gewoon weer weg. Op z’n gemak.

‘Get him, goys! Get him!’

Geen animo bij de heren.

‘Marcel!’

‘Moy back horts, Al!’

‘Frank!’

‘Oy’s got blisters, Al. Look!’

Al rukte Franks schepper uit z’n handen en rende Edgar na.

Al bleef straat na straat aanklampen. Soms zag ie Edgar niet meer, maar z’n lacherige blaf verraadde hem. Als ie al niet met opzet blafte. Dan zat Al weer net achter hem aan en toen stonden ze allebei onverwacht voor een blinde muur. Al hief z’n net. Edgar glimlachte besmuikt en verdween met éen krachtige sprong over de muur. Al klom er moeizaam over. Geen Edgar meer. Een met gras overgroeid parkeerterrein, een uitgewoonde woontoren. Hij liep het terrein over en door een gat waar vroeger een deur in zat naar binnen. Edgar stond in het donker treiterig op en neer te springen. Al stormde vooruit met z’n schepnet. Edgar weg. Drie, vier gangen. Stof en pluis. Trappen op, trappen trappen, trappen trappen. Kamers in, kamers uit. Dichtgespijkerde deuren. Deurbellen met vervaagde namen achter dof plastic. Opengebroken deuren. Kaalgeslagen flats. Flats nog vol, alsof het pijnlijk nauwkeurig gereconstrueerd was, huiselijkheid. Kopjes op tafel. Vergane muizen op het aanrecht. Flats, waar het leven zich om een onbekende maar vast meedogenloos economische redenen lang geleden plotseling uit had teruggetrokken. Maar niet uit Edgar. Hij was glad en wendbaar en niet te vangen. De transpiratie liep Al over het gezicht. Z’n hart roffelde. Hij stond in een badkamer. Witte en zwarte tegels, klamme lucht, maar geen bad meer. Weggebroken met zoveel geweld dat er een stuk buitenmuur was meegekomen. Al zag het parkeerterrein door het gat en schrok. Hij zat zeker twintig verdiepingen hoog en hij was goed gek! Hij zag niet waar ie liep en dadelijk brak ie z’n nek. Maar hij wou Edgar niet opgeven. En Edgar werd moe. Even was Al hem kwijt, maar dan hoorde hij hem hijgen. Al vond hem terug in deze absurde flat. De geur van jaren geleden gekookte bloemkool en onder een dikke laag

117.

 

cementspikkels nog gezellig van bijzonder slechte smaak getuigende bruinpluchen fauteuils met haakwerk op de leuningen op beton. Hier had ooit duur parket gelegen maar het was weg. Al zag maar éen deur en daar stond ie zelf in. Nee, Edgar kon niet meer weg, en om hem geen respijt te geven, rende Al zo met z’n net naar hem toe en sloeg toe. Maar hup, Edgar ging zigzag en Al schoot alleen door.

Niet alleen het parket was weg, zag ie nu, maar ook de betonnen vloer zelf. Voor hem gaapte een king-soize gat. En geen muurtje of leuning om je aan vast te klampen. Hij liet zich languit vallen, in de hoop op genoeg wrijving om op tijd tot stilstand te komen, maar hij bleef voortschuiven. Hij duwde op z’n ellebogen en klauwde met z’n nagels. Aaaah! Pijn! Hij lag stil. Z’n onderbenen hingen in het gat. Hij bleef een poos liggen bekomen.

Hij klom uit het gat, kwam recht en bekeek z’n ellebogen en knieën. Kapot. En z’n pak. Alweer een uniform naar de kloten! Wat ging Marcel wel denken? Maar hij leefde nog. Hij keek in de diepte en huiverde. Bijna het hoekje om. Hij werd er woedend van. Dit was opzet. Waar had ie het verdiend, wat had ie verdamme misdaan dat Edgar hem eraan wou?

‘Fock him!’ riep ie.

En toen schrok ie. Van de stem. Hees, licht spottend, zo dichtbij, terwijl ie dacht dat er geen mens in dit gebouw te vinden was.

‘You silly boy.’

Hij draaide zich om. Edgar stond aan de andere kant van het gat. Alleen Edgar.

‘Can’t catch me, eh?’ zei ie.

Al zakte even door z’n knieën. Je hoort niet alle dagen een hond wat zeggen in goed verstaanbare taal. Opeens zag ie niets meer. Een black-out? Hij week voetje voor voetje voorzichtig achteruit, vond op de tast éen van de pluchen fauteuils en zonk er verslagen in neer. Na een poosje kwam z’n gezicht weer. Edgar stond hem nog altijd aan te kijken.

‘Or can you?’

118.

 

Goed, Al was z’n verstand kwijt, maar wel nog niet zo stom dat ie recht ging veren om over dat gat te springen en Edgar te pakken. Het was veel te breed.

Tiktiktiktiktik. Edgar liep handig langs een richel tot bij Al en keek hem welwillend aan.

‘Man, you looks bad!’

‘Bad?’

‘Yeah, bad. Sad. Lost. That’s whoy you can’t catch me, eh? Al, whot’s wrong?’

‘Wrong?’

Al vergat z’n woede en verbijstering. Hij had het verdrongen maar nu eensklaps overweldigde z’n verdriet hem weer.

‘It’s over,’ zei ie.

‘Over?’

‘Gerrie. She -‘

clip_image0051.jpgHij werd er zo wee van. Hij wou dikke zoute tranen janken, maar hij sprong al instinctief opzij, want in z’n ooghoek zag ie Edgar aanflitsen. Dat grote valse beest wou hem alleen afleiden! Dat asociale monster wou hem het gat in drukken! Al voelde Edgars poten langs schrapen en Edgar viel zelf met een plof op de rand van het gat. Hij krabbelde verwoed om er zelf niet verder in te schuiven, hield stand, kwam overeind, liep met een boogje om Al heen, en toen at de duisternis hem op. Al liet hem lopen. Hij had z’n bekomst voor vandaag. Hij boog voorover, kon alleen maar denken aan haàr, en liet z’n verdriet stromen.

 

 

 

 

 

119.


Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s