De post afgeschaft?

Waarin …

Een rustige nacht. Lauwe lucht. Briesje. Dudes Park glooide vredevol tussen de wolkenkrabbers, er deed niemand meer verholen aan seks op de banken, en aangezien er omheen in Bushford, Forrest en Extra Large voornamelijk nette lieden woonden drong er weinig lawaai van nachtbrakerij door in het park. Merels, mezen en lijsters sliepen. Een donkere bospartij, een majestatische beukenboom en een aluminium ladder tot in het gebladerte. De boom schudt. Toch seks in open lucht? Nee: meneer Fred duikt op uit de bladeren met een verrekijker in de hand en Al naast zich op de tak (xxx). Meneer Fred heeft z’n broek nog aan. Geen vleselijke gemeenschap dus, maar evengoed intense gevoelens in deze boom, want enerzijds heeft hij er al dagen lang vreselijk de smoor in. Het valt niet mee, zoveel honden om zeep helpen. De logistiek van zo’n actie! Hij had zich wat op de hals gehaald door Frank te volgen in z’n bloeddorst. Allemaal Franks schuld als het fout ging, maar wat voor glorie viel er niet te vangen als het goed ging? Dus meneer Fred had zich toch met hart en ziel op deze unieke kans gestort. Anderzijds was ie nu dus ook voldaan over het resultaat van dagen plannen, vergaderen met geeuwers, stiekem de telefoon te gebruiken, aangetekende brieven wegsturen en te laat binnenkrijgen. Hij neuriede dus van ‘pom pom pom, pompompom,’ en toen Al hem vreemd aankeek, schakelde hij naar de bekende, mooie, melancholieke love song ‘What Oy loikes most is the lads of the post.’ Het leek op het bekende ‘You must love only me, or Oy jomps into the deap blue sea,’ en werd best gezongen door een fris meisje, maar dat kon meneer Fred allemaal niks schelen want z’n op dit ogenblik overheersende gevoel was Trots.

Trots, want onder de beukenboom wist ie, verdoken opgesteld in de struiken, z’n liaisonofficieren zitten. Trots, want verderop, en voorlopig zoals geinstrueerd met hun mondjes dicht, beschut door de schaduw van het bos op de helling en onzichtbaar voor ondeskundige of foute ogen, stond verzameld voor meneer Fred een goed geordend gedisciplineerd postleger van duizend man met leren werkhandschoenen, rugzakjes vol thermosflessen en gezonde hapjes met veel vezels, vangnetten, scheppers (xxxi) en twintig lessen tactiek achter de kiezen.

Trots! Geen mens kan zonder trots. Zonder glorie. Nu er al honderden en honderden

168.

 

jaren geen landen, geen naties, geen volkstammen meer bestonden die met z’n allen zwart, bruin of wit wilden zijn, nu heel het continent Brossels sprak en de rest van de wereld het wel moest verstaan, nu er geen greintje nationale eigendunk meer te vinden viel tenzij, misschien, wat Brosselse, nu het overgrote beschaafde deel van de wereldbevolking zelfs het begrip niet meer kende en alleen wist van een wereld wemelend van naamloze vennootschappen, van hun gedurig zich wijzigende bondgenootschappen, van een heelal vol onzekerheid, nu vond meneer Fred voor de sentimentaliteit die diep onder alle berekening en machtshonger toch de zachte en lullige kern van z’n wezen was, een houvast bij die goeie ouwe ouwerwetse post, en des te meer omdat hij en de post op het punt stonden om grootse daden te verrichten, omdat hij en de post nog meer éen gingen worden in de zoektocht naar Het Geluk van meneer Fred. Hij en de post en BC gingen Geschiedenis maken!

Hij neuriede. ‘What Oy loikes most …’

Hij keek Al uitnodigend aan. Al glimlachte als een schaap, maar meneer Fred bleef kijken, dus uiteindelijk zong Al, ‘Is the lads of the post,’ en meneer Fred voelde zich vanbinnen warm en mild worden. Als er iets de post (en vooral meneer Fred) weer bewondering ging brengen, als er iets de post het image ging geven van een kordate organisatie die met een gerichte goed overwogen indringende kracht de werkelijkheid naar z’n zin kon zetten, als er iets Brossels City en de Brossels empoire ging galvanizeren, er weer een echt Land (xxxii), een Rijk (xxxiii) van ging maken, dan een grote veldslag zoals meneer Fred die uitgestippeld had, ook al ging ie vannacht nog bescheiden beginnen. Het was een zaak van omslag. Daar had je zo geen grote middelen voor nodig. Wel net genoeg kennis van zaken om de pendel in de andere richting te doen omslaan, zoals bij de slag van Waterloo, nu een wijk vol wolkenkrabbers in het hete centrum van Brossels maar indertijd een beter gesitueerd veld met suikerbieten dat volstond om Napoleon’s (xxxiv) rijk uit te vegen. Binnenkort ging er dankzij de post nieuwe fierheid opbloeien. Ging er niet meer gelachen worden met Brossels zoals toen Brossels nog klein was. Toen ‘nime me ten fimous Brosselers’ leuk klonk. Toen Brossels een gat was vol boeren en hoeren. Toen je er de radiatoren nog niet kon bijstellen en het er te heet was in de zomer en te klam in de winter. Toen alleen de pedofielen er tevreden waren. Toen er maar éen Manneke Pis spoot in plaats van de overdonderende Brossels Water Works Esplanade met 999 synchroon plassende adonissen. Toen lachen met Brosselse spruitjes nog kon. Niet langer! Toen er niemand beroemd was, terwijl nu bijna iedereen het er

169.

 

was, en binnenkort, vooral, superberoemd, meneer Fred.

Meneer Fred mijmerde zo lang op z’n tak dat er langzamerhand rumoer ontstond bij de duizend wachtende postbodes. Men sprak zichzelf moed in met lawaai en gebaar. Er werden oldies gedraaid. Men danste de boegiewoegie. Ongepast, vond Al.

‘Shhhhtt!’ riep ie, maar de idioten deden of ie een grote vogel was op die tak. Al werd er nu echt boos van.

‘ShHHHHHt!’

Meneer Fred schrok op uit z’n rêverie en keek Al vragend aan.

‘Fools! They’s never gonna win the war loike that!’ zei Al.

Ach. Meneer Fred was in het gezicht van z’n roem nu zo goedgemutst dat alles van hem mocht.

‘Let them, Al.’

‘Let them? Let thousand boneheads mike noise? How is they gonna surproise the other party?’

‘They isn’t. They’s gonna attract the dogs. Bot the more the better!’

Meneer Fred glom. Hij was zeker van z’n stuk. Buitenstaanders mochten alles zien, want ze zouden zien wat voor een groot winnaar meneer Fred was.

‘And how,’ zei Al, ‘is we gonna bomp off dogs with jost nets and scoopers?’

Van die vraag werd meneer Fred knorrig. Al was zo naïef. Maar hij zweeg. Hij ging Al niet vertellen dat ie een particuliere elite-eenheid voor moeilijke opdrachten had ingehuurd met z’n kredietkaart om gewapend de wacht te houden vanop de daken om het park.

‘And how,’ zei Al, ‘is we gonna do oll them dogs at once tonoight. There must be millions of them. Isn’t you a bit onrealistic?’

Wie weet dat ie gaat winnen, kan zich veroorloven geduldig te zijn. Meneer Fred keek Al wijs en welwillend aan.

170.

 

‘Bomping off is a gradual process. Have pitience, Al!’

Op dat ogenblik viel het geroezemoes stil en een vreemde stilte greep het postleger aan. Al vergat nog meer vervelende vragen te stellen en staarde in dezelfde richting als de duizend postbodes.

Tiktiktiktiktiktiktiktiktiktikttikiktiktiktiktiktiktiktiktiktikttiktik

tiktiktiktiktiktiktiktikttikiktiktiktiktiktiktiktiktiktikttiktiktiktik

tiktiktiktiktiktikttikiktiktiktiktiktiktiktiktiktikttiktiktiktiktiktik

tiktiktiktikttikiktiktiktiktiktiktiktiktiktiktiktiktiktiktiktiktiktik

tiktikttikiktiktiktiktiktiktiktiktiktikttiktiktiktiktiktiktiktiktiktik

tikiktiktiktiktiktiktiktiktiktikttiktiktiktiktiktiktiktiktiktikttikik

tiktiktiktiktiktiktiktiktikttiktiktiktiktiktiktiktiktiktikttikiktiktik

tiktiktiktiktiktiktiktiktiktiktiktiktiktiktiktiktikttikiktiktiktiktik

tiktiktiktiktikttiktiktiktiktiktiktiktiktiktikttikiktiktiktiktiktiktik

tiktiktikttiktiktiktiktiktiktiktiktiktikttikiktiktiktiktiktiktiktiktik

tikttiktiktiktiktiktiktiktiktiktikttikiktiktiktiktiktiktiktiktiktiktik

tiktiktiktiktiktiktiktiktikttikiktiktiktiktiktiktiktiktiktik.

Er ging een rilling door het postleger. Getik van duizenden hondennagels op straatstenen. Men kan in rekening brengen dat er meer dan éen aan elke hondenpoot zitten en dat de meeste honden vier poten hebben, maar het moest toch om ontzettend veel honden gaan. En daar kwamen ze aangalloperen, de beesten, van de kant van Forrest Park, Dudes Parks tweelingpark aan de overzijde van het plein waar ze zich waarschijnlijk ongezien gegroepeerd hadden, aangelokt door het gekwek en geprikkeld door de ostentatie van het postleger, daar kwamen ze, tong links of rechts uit hun bek, klaar om korte metten te maken met dit zootje, in dichte drommen. Duizend, tweeduizend, drieduizend, tienduizend stuks?

Nee, méer, véel meer, want ze kwamen ook nog van Mystery Street en Victor Ross Avenue (xxxv), uit drie richtingen, met drie keer zoveel volk. Rottweilers. Schepers. Kettinghonden. Labradors. Dobermanns (xxxvi). Ze waren groot. Je zag dat ze ‘poe’ dachten. Ze blaften angstaanjagend uit duizenden bekken tegelijk en hun geluid galmde onverantwoord heen en weer door de stad. Ze gingen moeilijk in bedwang te houden zijn met hun dierlijke agressie. Ze leken er nooit over nagedacht te hebben dat ze zich ook zelf konden bezeren met hun wild gedoe. Met zulke types kun je moeilijk in redelijke termen oorlog voeren en veel postbodes werden bijgevolg al bleek. Ze voelden zich zo naar dat ze neiging hadden om in hun broek te kakken (xxxvii) of, eleganter, weg te lopen, liever dan honden te vangen.

De struiken bij de beukenboom met de aluminium ladder schudden nu gevaarlijk van links naar rechts omdat de erin gezeten liaisonofficieren van meneer Fred nerveus van hun ene op hun andere voet stonden te wippen. Wat hen betreft mochten er stante pede bevelen uit de boom komen. Ze zouden ze metéen doorgeven, want er is geen betere verdediging dan de aanval, maar het bleef stil in de boom.

Te laat! Vanuit de hoogte (een torengebouw verderop in Forrest?) klonk als uit een blikken luidspreker een uniek hondengehuil op, hees en hitsig – signaal van een

171.

 

erkend volksmenner, want de honden die ongeduldig stonden te drentelen achter een denkbeeldige startlijn als de deelnemers aan een stadsmarathon herhaalden het enthoesiast in duizendvoud, stortten zich over de lijn als een zee die door een dijk brak en vielen aan!

Ertegenover breed uitgesmeerd honderden postbodes die hun schepper gillend weggooien en in de richting rennen van de haltes van bus 23, 48 en 54 en van tram 18, 52 en 55. Gelijktijdig woedend gemompel in de liaisonstruiken. Niemand ziet graag een mooi plan in duigen vollen.

Maar dan hoorden Al en de struiken ‘Pop poppoppop pop’, zachte maar onheilspellende geluiden en honden in het front van de stormloop vielen weg. Bosjes honden. Meneer Fred grijnsde in de boom triomfantelijk naar Al. Beneden stonden postbodes stil. Ze zagen weer brood in de situatie. Gejuich steeg op bij medewerkers die te veel vanachter stonden en nog geen ruimte gevonden hadden om weg te lopen. Al keek om en zag op de daken een glimp van heren in battle dress en gebreide zwarte skimutsen met gaten voor hun ogen en mond (zodat ze tenminste zagen waar ze schoten en tussendoor een stukje konden eten). Ze hadden hun handen vol schiettuig.

Maar nieuwe knallen klonken nu elders op. Veel luider. Pakkepakkepakke pakkepak. En nu vielen er postbodes om. Verrassing. Het gejuich hield abrupt op. Alarm verspreidde zich in het postleger zoals in een gezelschap in een duur restaurant dat na een uitvoerig feestmaal eensklaps ontdekt dat de gastheer spoorloos is en men zelf moet betalen. Dit was geenszins volgens plan! Een overrompeling. En een hoogst pijnlijk moment voor meneer Fred. Hij vergat dat Al nog altijd naast hem op de tak zat, greep naar z’n hoofd en riep, ‘No!’

‘Whot is it, mr Fred?’

‘Oy can’t believe moy oyes!’

Terecht: er schoten honden terug! Vanop andere gebouwen. En ze schoten beter! Het pop pop pop van meneer Freds privé elite-eenheid hield snel op, want zich alle toekomstige tewerkstelling laten ontzeggen door flauwe en vulgaire concurrentie die weinig sportief veel te talrijk was opgekomen, daar waren onze gasten veel te professioneel voor. Ze hielden het voor bekeken. Helaas, het pakkepakkepak ging wel

172.

 

door en er bleven postbodes omvervallen.

‘Ow! Ow! The fockers is shooting with solt!’

Die kreet deed de vluchtende personeelsleden nog versnellen. Zout in je billen is vreselijk en postbodes kunnen niet tegen pijn (xxxviii).

En ze vluchtten in groten getale, want gelukkig bestond er nog altijd een grote solidariteit in de post. Binnen vijf minuten bleven er om meneer Freds boom en de liaisonstruiken alleen nog scheppers, schoenen, petten en hoorapparaten over als getuigen van een buitengewoon navrante passage in de geschiedenis van de mensheid. Wat een deuk voor het superioriteitsgevoel van post! Wat een schande! Al verging van schaamte en hij durfde meneer Fred niet meer aankijken.

Er werd nu gegild en gekermd in de straten rond Dudes en Forrest Park, waar geoefende peletons honden de post uit de weinige nog open drankslijterijen en broodjesbars (xxxix) joegen met massief en dreigend gegrauw en af en toe een hap uit een kuit. Deze honden waren meester-psychologen!

Na verloop van tijd werd het kalmer, konden de beschaafde mensen die rond het park woonden weer rustig slapen, en hielden in het park alleen de liaisonstruiken nog stand. Zij konden moeilijk weglopen en daar stonden ze dus tegenover elkaar, voorlopig op veilige afstand: struiken en honden.

De honden popelden maar ze keken elkaar ook aan van ‘wat nu?’ Wel, een dwergschnauzer met snor en pet trad uit de gelederen en sprak zelfbewust in een luidspreker:

‘Test one two three. Test one two three. Hollo hollo. Sargent Pecksnout speaking. In kise there is still some honorable gentlemen from the post office around, Oy sommons them to come forward out of them bushes with their extremities op. Yield your weapons and sorrender!’

Er bewoog niets.

‘Nobody’s gonna boite you.’

173.

 

Er bewoog niets.

‘We promises retreat with oll military honour.’

‘Mmmm, Oy loikes that,’ fluisterde meneer Fred, ‘brive they is, our liaison boys. The best. They’s never gonna give in! Whoy, in a minute, at precoisely the roight toime, Oy gives them the order and they’s gonna counter-attack, sorproise them silly doggies, woipe them out, and we’s gonna march home victorious!’

Een mooie zin en Al keek enthoesiast zodat meneer Fred minder moeite zou hebben om zichzelf te geloven.

‘Oll roight,’ zei sergeant Pecksnout. ‘You gets pide for tonoight.’

Niets bewoog. Logisch. Postbodes werden per maand betaald. Met een vaste regeling voor overuren. Ze werden hoedanook betaald voor vanavond.

‘Of course,’ zei sergeant Pecksnout, ‘you gets a special bonus.’

Een speciale bonus? De struiken begonnen te ruisen.

‘How motch?’ zei een stem.

‘Foive hondred BB.’

‘No!’ riep meneer Fred, ‘no! Don’t! Don’t sorrender, boys!’

Maar langzaam liepen meneer Freds moedigen met hun handen in de lucht in de richting van het hondenpeloton. Daar begonnen duizenden staarten tevreden te zwaaien.

Meneer Fred zweeg. Huilde hij stilletjes? Al zag het niet goed, want meneer Fred keek weg van Al om zich geen houding te moeten geven.

‘Mr Fred, Oy thinks we had better beat it,’ zei Al discreet, ‘at least if we does not wonna get caught ourselves.’ Oh hoe bitter! Oh wat een schande!

‘No no no no!’ kreunde meneer Fred, terwijl Al en Marcel hem voorzichtig probeerden weg te dragen, maar hij kon helaas geen orde meer op zaken stellen. Het was gebeurd. De slag was voorbij, verloren. Tragisch. Privé politie was er al

174.

 

evenmin ergens te zien. Niemand in de buurt wou ze bellen. Wie ze belt draait er voor op, en het kost stukken van mensen. Men hield liever de gordijnen dicht tot de opruimfirma het park zoals elke morgen om half negen netjes weer in z’n oorspronkelijke staat had opgeleverd. Vooralsnog leek het of er vijftig jumbo’s op elkaar gevallen waren en Kilroy was wild enthoesiast. Kilroy? Wie is Kilroy? Wat komt die hier doen? Wel, K. kwam aan de kost met tips, kwam overal, had wolken meeuwen zien cirkelen en duiken, rende deze kant uit en was nu als eerste met z’n eigen ogen getuige van de ramp.

‘Wow!’ zei ie, ‘woow!’

Hij klom moeizaam over hopen residu, telefoon tegen z’n oor. Hier stonden nog enkele honden na te proeven en daar waren ze nog in de weer met verwoed in gebladerte te bijten maar ze lieten Kilroy gerust.

‘John,’ riep ie, ‘you must! You must put this on the tension regulitor, and you must do it now!’

‘Dogs boiting postmen?’

‘Bodies. Blood. Smoke. Pieces of this and that. It’s so invigoriting! So entertining!’

‘How many dogs?’

‘Foive thousand postmen bitten each of them in his leg boy a dog, John! Imagine!’

‘Foive thousand losers, Kilroy.’

Klik. John gooide de telefoon op het nachtkastje, keek op z’n horloge en beet boos in de bedsprei. Kilroy en z’n kaktips! Nee, hij kreeg er niet het minste warme veilige gevoel voor Rijpe Kijkers bij. Vaag geweld in struiken in een park! Mens, werkt er iets erger desecurizerend?

Jammer, want nu ging er thuis voor de buis niemand genieten van de zwermen privé ambulances die zo discreet mogelijk toeterend spectaculair bloed spuitende kredietwaardige postbodes wegbrachten. Weg van de anderen die helaas over onvoldoende krediet bleken te beschikken op het ogenblik dat ze al telefonerend doorzeefd werden en die nu ondanks de bordjes ‘Do Not Tresspass’ zoals duizenden

175.

 

petten roerloos achterbleven in het gras. Van de honden die nog slag leverden met de laatste liaisonstruiken (xl). En van meneer Fred die ‘No no no no!’ bleef schreeuwen.

Hij spartelde tegen met al z’n leden. Hij wou de strijd niet opgeven, niet erkennen dat het postleger net een schandelijke nederlaag had opgelopen, maar Al en Marcel droegen hem evengoed van de beukenboom naar het bestelwagentje van de post. Het stond onschuldig bij een postbus geparkeerd alsof er op dit ogenblik brieven moesten opgehaald worden.

‘Easy, easy, poor Mr Fred.’

Ze legden hem met grote zorg op de achterbank tussen een dof kijkende Marcel en Frank en hij zweeg. Frank, die evenmin graag verloor, was zo te zien nog depressiever. Hij probeerde de fauteuil rechts voor hem te slopen, maar Al ging er snel op zitten en Frank verlegde z’n aandacht naar het dichtstbijzijnde portier. Art gaf gas en ze schoten door de nachtelijke metropolis. Door een rood licht. Tegen de richting van het verkeer in. Luid toeterende klaxons.

‘Fock you,’ zei Art. Hij reed als een gek en hoefde alleen nu en dan een parkersprong uit te voeren om een aanrijding te ontlopen.

‘Where is we going, Art?’

‘Jost troying to get as far awhy from the park as possible.’

Ach. Een gewone, voor buitenstaanders allicht poëtische nacht. Trottoirs vol dronkaards en pluimvee. Voor die gelukkigen niks aan de hand. En ook in het wagentje van de post ogenschijnlijk rust, fijn geaccentueerd door zacht geweeklaag en gekraak van het portier dat Frank bijna uit de hengsels gewrongen had. Maar eigenlijk lagen de tochtgenoten lam van ontzetting en wanhoop. Ze konden zich de gruwel van het slagveld niet uit het hoofd zetten. En ze hadden allemaal dorst van de schrik voor wat komen ging. Meneer Fred worstelde nog te zeer met grote vragen om nu al iemand anders de schuld te geven. Helaas, na verloop van tijd keek ie toch op en riep met een van woede en pijn vertrokken gezicht: ‘How?’

Niemand had er zin in, maar dan beet Marcel naast hem toch in de zure appel:

‘How whot, mr Fred?’

176.

 

‘How on earth did them goddamn dogs know oll the foine detiles of our plan?’

Niemand wist hoe maar meneer Fred bleef iedereen aankijken met blikkerende oogjes, dus eindelijk antwoordde Marcel.

‘Spoys?’

‘Spoys?’

‘My be the dogs had spoys at the post office.’

‘Pff. Come off it, mite. The plan never left our goddamn post office. Did you see any spoys there?’

‘Superior spoys?’

Maar niemand had ooit een superieur wezen gezien bij de post en Marcel deed z’n mond discreet weer dicht. Meneer Fred richtte een verzengende blik op Al.

‘WHERE did they get hold of oll them gons?’

‘Oh,’ Frank liet z’n portier los, ‘on the web, mr Fred. Everything’s for sile on the web. Oy boys plombing stoff on the web. Jam. And extra large shirts with short long sleeves. So them dogs boys canons, and we postmen delivers oll of it! Oy knows. Oy’s done so moyself. We delivers everything! The post office is world fimous for its excellent service!’

‘Where did they get money for gons?’

‘On the web. Banks.’

‘Banks? Banks doesn’t offer me money if Oy’s a dog.’

‘Whoy not? As long as you’s foinanciolly sound? And Oy doesn’t see you’s a dog on the web, does Oy?’

‘No.’

Meneer Fred zat een poos te herkauwen en iedereen hoopte dat ie zou stilvallen, maar dan glimlachte hij krachtdadig en z’n medewerkers begrepen dat hun lijden voortduurde. ‘They was oll of them at the roight plice at the roight toime.’ Hij klonk afgunstig. ‘Thousands, roight?’

177.

 

‘Roight.’

‘How come they was organoized so well?’

‘Well, there’s good organoizition on the web too. Computer programmes. Stoff. From consultancy firms, you knows. You downloads it and if you still can’t work it out, some chaps comes and helps you out. If you pies enough.’

‘So you delivered gons to well organoized onknowns. Bot didn’t you ask questions?’

Iedereen zat recht. Meneer Fred werd langzaam aan weer de ouwe. Subtiel bezig met schuldigen te zoeken.

‘Ah,’ zei Frank slim, ‘Oy ollwhys thought it was dogs’ owners boying stoff. People has weird hobbies, you knows. Whot they boys in anonymous brown boxes! Feathers, lingerie with strange holes, luxury horse harnesses. Bot as long as they uses the post office and pies, who is Oy to compline? And whot’s wrong with gons? Gons is a lot more normal than lingerie with holes.’

Dogs setting op an army, Frank! Has you seen that before? That’s normal to you?’

‘No sir.’

‘How come they’s so clever?’

‘They isn’t. It’s jost coincidence.’

Frank keek zelfverzekerd maar het volgende ogenblik ging Art op de rem staan en Frank vloog tegen de rug van de fauteuil voor hem. De bestelwagen stond stil. Art had links willen afslaan maar tien ernstig kijkende honden met petten op versperden de toegang tot de straat. Art zette de auto in achteruit en reed dan maar weer mopperend rechtdoor.

‘Whot was that?’ zei meneer Fred.

‘Dog patrol.’

Art probeerde de volgende straat links. Weer een patrouille. Hij kon links noch rechts af. Hondenpatrouilles blokkeerden straat na straat. Ze moesten wel rechtdoor

178.

 

en ze reden op een bepaald ogenblik Forrest uit en Coockleburgh in.

‘They controls oll of Forrest,’ zei Art. ‘Whot else?’

Iedereen in de bestelwagen probeerde onopvallend z’n ma op te bellen.

‘Olderham’s gone,’ zei Marcel. ‘Ma sees dogs behoind a flag outsoide. A dozen of them. How sweet they is, she sighs.’

‘Woolway gone too,’ zei Frank.

Al voelde zich behoorlijk beklemd. Alleen over Whammle was er dus geen nieuws. Hij had ma’s haarborsteltelefoon wel bij zich, maar zij had hem dus niet. Geen contact kunnen krijgen in dergelijke benarde omstandigheden was erg. Geen nieuws horen over je geliefden. Hij dacht aan Gerrie. Hoe honderden honden waarschijnlijk in meedogenloos mooi opgeblonken leren laarzen door bezet Whammle haar deur voorbij marsjeerden en zij intussen zonder hem verder moest. Als Bing al niet in haar zat te investeren. Moeilijke tijden.

Ze zwegen nu al tien minuten met z’n allen in de bestelwagen. Er hing wat in de lucht. En toen zuchtte meneer Fred uit het diepste van z’n inborst en zei: ‘This is serious.’

Ze zwegen.

‘Most. Serious.’

Ze zwegen.

‘Cat.’

‘Cat?’

‘Astrophic. History is changing course.’

Ze zwegen, maar hij kon het weten.

‘Onless,’ meneer Fred keek verbeten, ‘we act!’

Ze zwegen.

179.

 

‘Art,’ zei meneer Fred koelbloedig, ‘droive to our headquarters!’

Naar Old Glass Dick dus in Coocleburgh. Net goed, want in de verte priemde de koepel al in de duisternis boven de nieuwere wolkenkrabbers uit. En het rode logo van de post erop. Het stond een beetje scheef en ging aan en uit. Aan en uit. Het wenkte. Het deed de jongens wat, hoe mannelijk ze zich ook hielden. Art greep z’n stuur goed vast en schoot de juiste richting (xli) in. Even ging de bestelwagen razendsnel, maar dan mompelde hij ‘Shoite!’

File. Er waren altijd files in Brossels, zelfs ’s nachts. Meneer Fred kreeg het ervan op z’n heupen maar de anderen maakten zich weer nuttig met rondbellen op hun verboden telefoons.

‘They’s got Extra Large,’ zei Art, ‘sighs aunt Mibel.’

‘And Sheeting,’ zei Frank.

En Ockle, Watermill-Bushford, Fillford, Seveningham Airport, Mel’s Trousers. Naar het noorden Bornt Bridge, Tree en Willowbrook. Er hield nu een peloton honden de wacht op de zeedijk aldaar. Naar het westen Goosehorn, Droybush, St Peter’s Loion, St Agatha Birkham en Holl.

‘It looks,’ zei Al, en al wou hij neutraal klinken, het klonk toch wreed benepen, ‘loike them dogs has got hold of oll of Brossels City.’

Meneer Fred kon het bericht geestelijk niet aan. Hij kronkelde zo dat er op de achterbank bijna geen plaats meer was voor Frank en Marcel, maar hoe hij ook heen en weer ging, het hielp niet om de situatie draaglijker te maken. De auto stond stil, er was tijd en om hem heen keken z’n medewerkers elkaar dus lang lang lang aan, bleek van consternatie. De envergure van wat de honden aan het ondernemen waren!

‘Can’t believe it,’ zei Marcel.

Frank liet z’n portier even los.

‘No forther south than Holl?’ zei ie. ‘Sorproises me. Whot about Paree? Mom Mart? Fountain Blow? Thousands of noice poodles there. Doesn’t our hot dogs wonna conquer them?’

180.

 

Hij grinnikte, maar niemand anders in de wagen vond stomme seksuele toespelingen leuk op dit gespannen moment. Frank deed altijd ongepast. Een boer. Hij kon maar beter z’n portier verder afbreken in stilte, maar misschien zei ie dit ook alleen maar omdat ie zelf onder onhoudbare stress zat. Nou, vooruit dan maar. Art kende intussen van de Social Clob wel een aardige mevrouw in het postkantoor van Fountain Blow. Hij belde haar onmiddellijk maar al even snel had ie z’n bekomst.

‘Oh no!’ riep ie.

Ook Fountain Blow was al in hondenhanden! En alsof alleen zij nog overgebleven waren, alsof verre vrienden bij de post alleen hen nog hadden gevonden om ze slecht nieuws toe te vertrouwen, kwamen nu de telefoontjes de auto binnen stromen van bijna overal. Too Loose: in handen van honden! Moy Land, Moines, War Saw, Crack Off, Sa Soo See en andere achterbuurten: in handen van de honden! En hoe meneer Fred telefoons en foto’s per telefoon ook haatte, vanuit postgebouwen door heel het Brosselse rijk heen kregen ze nu foto na foto doorgeseind. Foto’s van hondenlegioenen die orban sprawls met miljoenen inwoners veroverden onder de wit-fondant vlag, onder het wapperende fondant veld met de negenennegentig witte tanden. Ook daar heerste, voorzover smsjes en flarden gesprek dat konden uitdrukken verwarring, ongeloof en alarm. Sommige snapshots getuigden van onuitspreekbare ondraaglijke vernietigingen.

Tanks, jachtvliegtuigen, oorlogsbodems, het verbreidde allemaal in brede slagorde onheil onder de vlag vol tanden. Maar goed dat meneer Fred in een coma lag en niet meer oplette.

‘This is bad,’ zei Marcel in z’n plaats. Hij kamde verwoed z’n haar.

‘Bad? This is the end,’ zei Art.

‘No. It isn’t. Whot about Murky? Whot about Choina and Freaky?’ zei Al.

‘They means nothing nowadies,’ zei Art. ‘They’s jost spice, local spice of the Brossels empoire now (xlii). So moy conclusion, gents, is: the world now belongs to – dogs.’

Verpletterend. Even was het stil. Dan zei Frank: ‘This is silly.’

Iedereen zweeg kies. Men zag Frank nog liever alle vier portieren uit de auto breken.

181.

 

Als ie z’n bek maar hield op dit ogenblik. Het ogenblik dat de wereld niet langer eigendom was van de mensheid. Het gezelschap wou liever verstomd zitten te duizelen.

‘This is so silly!’

‘Oll roight, oll roight, oll roight, it’s silly, Frank,’ zei Art, ‘bot thousands of dogs in uniforms is marching oll over Brossels, so it’s also very serious.’

‘Very,’ zei een zwakke stem, als van lulletje rozewater.

Ze keken allemaal naar meneer Fred. Meneer Koud en Warm kwam weer bij.

‘Bot there must be pockets of resistance,’ zei ie.

‘Indeed,’ zei Art. Hij zag het al aankomen: meneer Fred ging nu de moedige uithalen, maar Art ging zich niet laten inhalen! Hij ging kost wat kost nog moediger zijn!

‘Especially in the post office.’

‘Indeed!’ riep Art, ‘the post office survoives! They’s never gonna put os out of business!’

‘No!’

‘We’s ollwhys gonna keep going! Superior service is ollwhys gonna previle.’

‘Yeah!’

‘Service with a smoile. Ollwhys! Everywhere! Forever!’

‘Yeah yeah yeah.’

Het klonk machtig goed en de collega’s mompelden nog een poos goedkeurend voor zich uit, maar een alarmerende piep op alle telefoons gelijkertijd deed ze weer hun mond houden. Iedereen staarde naar z’n schermpje.

‘World Council? Whot World Council?’ zei Frank, ‘Oy doesn’t know no World Council. Does you, goys?’

Niemand antwoordde hem. Iedereen zat verpletterd.

182.

 

IMPORTANT AND ONLY MESSAGE

THE CANOINE WORLD COUNCIL LTD

TO OLL POST OFFICE WORKERS

:0)

 

Het bericht was vreselijk. Vanavond om zes uur werd de post afgeschaft, deelde de Canoine World Council mee. Voormalige postbodes werd aanbevolen thuis te blijven en spanningsregulator te kijken. Een audit zou bepalen welke activiteit van de post nog nuttig was. Die zou de CWC overnemen. De rest van de post bleef opgeheven, samen met betreffende postbodes. Wie het niet eens was met de beslissing werd vriendelijk uitgenodigd zich te melden op adressen die meegedeeld zouden worden.

‘Abolished?’ riep men nu door elkaar en met afschuw, ‘the post office abolished?’

‘We can’t jost let them fock os op!’

‘Bot it can’t be true!’

‘Whot does the ridio sigh about it?’

Niets. Alleen dat de Canoine World Council alle voorhanden aandelen, huizen en vrouwen in Brossels overnam. Wie de zijne nog op eigen initiatief kwijt wou kon dat tegen door CWC te bepalen prijs voor morgenmiddag. Wie niet akkoord ging mocht z’n naam en adres doorgeven voor gepaste actie, maar alle inwoners werd vriendelijk aanbevolen flexibel te zijn.

Het was te veel. Verward geschreeuw vulde de wagen.

‘Is this a bad joke?’

‘They’s tiken over moy woife?’

‘Whot bonds? Post office bonds?’

‘Oll bonds. The bonds of oll firms in Brossels, Frank. Doesn’t you listen?’

183.

 

‘Shoite, Oy’s been ruined!’

Nou, niet alleen Frank kwam tot die conclusie en de wagen verdonkerde met éen klap. Die klotehonden zagen het groot. Ze hadden vreselijke honger. Als er iets het levensbloed van Brossels was, dan aandelen. De heren postbodes keken verbijsterd voor zich uit de toekomst in. Dat ze je vrouw of huis overnamen, tot daar toe, maar je aandelen! Wat was er waardevoller dan aandelen? Werden die ook niet altijd snel veel meer waard? Wie had er geen massa’s van gekocht? Hoeveel productondersteuning van de bank was hen daar ook niet voor achternagevlogen?

‘So moy bonds is going to the dogs,’ zei Frank bitter.

‘Moy woife’s not gonna loike this,’ mompelde Art, ‘oh no!’

‘Oh don’t worry,’ zei Marcel, ‘she isn’t your woife no more.’

‘She’s gonna be on moy back jost the sime,’ zei Art somber, ‘they’s gonna have os hoire our woives back. Loike our houses.’

Huren? Maar Al wou Gerrie helemaal niet huren! Gerrie was zo al van hem! Anderzijds was het toch ook leuk nieuws. Gewoon huur betalen en alles was geregeld. Alleen al het idee deed hem bij nader inzien ontbranden in nog heviger liefde. Maar goed dat het nu zo donker was in de auto en dat iedereen het te druk had met piekeren, want hij kon de blos van de liefde niet van z’n gezicht krijgen.

‘Lads,’ zei Frank knarsetandend en hij rukte weer verwoed aan z’n portier, ‘we’s been focked four toimes!’

Ruk.

‘In one go.’

Ruk.

‘Brilliant!’

Ruk. Het portier kwam met een schokje helemaal los en Frank keek er een beetje verbaasd naar en gooide het dan maar met een boog van zich af. Het viel met een bons in de struiken beneden de expressweg en het begon nu flink te tochten in de auto maar daar had niemand nu tijd voor.

184.

 

‘Art,’ zei Marcel, ‘whot does you sigh?’

Niks. En normaal was ie zo qui-vive. Hij zat te tobben over vrouwlief. Wat ging ze zeggen over haar waardeloze aandelen? Ze was al zo onhandelbaar. Wou geen boterhammen meer smeren. Z’n bord niet meer in de vaatwasser steken. Als ie erg laat thuis kwam stelde ze vragen die hem bij de post nooit gevraagd werden. Met een deegrol in aanslag. En nu dit! Hij werd er zo treurig van. En van z’n slipper. Hij had publiek niet mogen piepen over privé besognes. Zo ondergroef ie z’n leiderschap, maar een mens had ook recht op emoties.

‘Art?’

‘Fock off!’ riep ie en van alteratie trok ie aan z’n stuur. Al gingen ze maar stapvoets vooruit in de file, de wagen boorde zich evengoed in de flank van de sloicer op het vak ernaast. Art zette de auto in achteruit, gaf gas, kwam los uit het débris, zette de bak weer goed op z’n baanvak, gaf gas, en ze reden weer langzaam vooruit in de file. De getroffen sloicer was omgevallen. Er kwam iemand uit gekropen die aan Arts raampje begon te gesticuleren, maar ze negeerden hem met z’n allen collegiaal. Ach wat. Oppotten is nergens goed voor. Goed dat Art zich uitgedrukt had. Zo hoorde het. En je kon hem nu beter even met rust laten.

‘Bot whoy?’ zei Marcel in de richting van de anderen, ‘whoy does them dogs wonna tike over everything?’

‘Ah,’ zei Frank, ‘we wonts everything too, doesn’t we?’

‘Yes, we does,’ zei een krachtige stem, ‘so stand op, goys!’

Frank, Marcel en Art draaiden zich om. Het was meneer Fred. Weer bij z’n positieven. Z’n crisis was zo te zien helemaal voorbij, weg die waas in z’n blik, het gejammer en gekronkel. In het midden van de achterbank zat nu iemand met een grote kin en die stak wilskrachtig vooruit.

‘You wonts to keep your stoff, postmen?’ zei meneer Fred.

Wat was er met hem aan de hand? Hoe was ie zo snel omgeslagen? Had het aanschuiven in de file gewoon lang genoeg geduurd om z’n ware aard van carièrist de gelegenheid te geven weer de bovenhand te krijgen op de pijn van het zijn? Had de smak tegen de sloicer als trigger gewerkt?

‘You wonts to keep your house, goys? Your chook? Your bonds? And most of oll, your

185.

 

post office?’

Misschien hielp vooral dat Art er zo bedrukt bij zat. Helemaal vertrut. Wat jammer dat ie vanmorgen waarschijnlijk weer overdreven met z’n vrouwmens te doen had gedaan want het volk hier riep om een leider, er was een gat in de markt, en de functie schept altijd de mens.

‘Stand op then, postmen of the world,’ riep meneer Fred, ‘and foight!’

Wat de rest van de postbodes van deze wereld ging doen, was niet duidelijk, maar Frank vond meneer Fred wel overtuigend als sterkhouder, en hij ging altijd akkoord met sterkhouders. Hij greep naar het nog voorhanden portier vanachter, maar Marcel aarzelde.

‘Marcel.’

‘Yes Mr Fred.’

‘You got a question?’

‘Yes, Mr Fred. Eh, isn’t it op to Mr Mulch to tell os whot to do?’

‘Mr Mulch?’

‘The chairman.’

‘Mr Mulch isn’t here, Marcel.’

‘We could phone him!’

‘Phone him? Phone him, Marcel? We postmen doesn’t phone people, does we?’

‘No, Mr Fred. Bot how does we know you’s the boss then?’

Meneer Fred zuchtte diep en deed z’n ogen dicht. Lang was het stil. Hij dacht nu intens na, mochten ze veronderstellen. Ten slotte deed ie z’n ogen weer open, keek wijs, en sprak rustig:

‘Oy’s been colled to lead you, Marcel.’

Daar zaten ze toch even van stil.

186.

 

‘Colled?’

‘Colled to tike the lead of the operitions. To sive the post office. And the world.’

Nou nou nou. ‘Boy who?’

Meneer Fred deed z’n ogen weer dicht. Al vond Marcel vandaag voor een normaal gezagsgetrouw mens wel echt in een vervelende faze. Hij was veel aangenamer als ie alleen maar gedurig z’n haar kamde. Al had zin om hem een klap te geven.

‘Boy Mr Mulch?’

‘No,’ zei meneer Fred met z’n ogen dicht.

‘Mr Bobbard?’

‘Boy this voice.’

‘Voice?’

‘Deep insoide.’

‘Whot did it sound loike?’

Wel, zoals die van meneer Fred, maar dat zei meneer Fred er niet bij. Hij keek nu alleen zeer beslist en overtuigend. Even viel er een kritische stilte in de wagen. Meneer Fred wisselde vlug van stemming. Hij geloofde nu plotsklaps weer helemaal in zichzelf. Maar voor hoe lang? Marcel draaide naar Art.

‘Whot does you think, Art?’

Art had het hoofd weer gelicht. Marcel zag dat er allerlei in heen en weer ging. Art was niet gewonnen voor een actieschema met een aal aan de leiding, een stiekemerd die drie opzichtige vulpennen in z’n borstzakje stak en uitsluitend aan meneer Fred dacht, maar dat kon ie maar moeilijk zeggen, en hij kon ook helemaal niet tegen de redding van de post en de wereld zijn. Hij zag in gedachten het postkantoor van Whammle weer voor zich en was diep geroerd. Het sorteerlokaal. Duf, maar gezellig. De ijskast. De pauzes. Het geklok van drank. Het getik van breinaalden. De hond onder de tafel. Geen vragen. Niemand die hem opwachtte met een deegrol in de

187.

 

vuist. Nee, dit mocht niet ten onder gaan, hoeveel hoofdpijn hij ook kreeg van meneer Fred. Hij glimlachte dus scheef en zei: ‘Good oidea.’

‘There we is!’ riep Frank. ‘Let’s stop them dogs. Let them sing a different song! Too motch pretention they’s got. Whot about you, Al? You isn’t sighing motch, chap.’

Als postroute bracht hem dagelijks bij Gerrie. Spreekt dat hij die wou houden!

‘Of course, let’s stop them!’ zei ie. ‘Bot how? We’s got stock in a traffic jam.’

Ze keken met z’n allen naar Art. Art wou niet te veel meer doordenken over heel deze vervelende situatie. Hij was nu zo gedemotiveerd dat ie zich graag overgaf aan z’n stuurmanskunst.

‘Jost wotch me,’ zei ie en hij wrong de auto over een stoep via een grasperkje tussen de sierstruiken door uit de file en reed puur op gevoel in de richting van het hoofdkwartier.

‘Somebody,’ zei Marcel onderweg, ‘must address the people. Tell them to stand op and resist. Loike Churchill.’

‘Who? Churchill?’ zei Frank, ‘is he a postman?’

‘No.’

‘Oy could,’ zei Frank.

‘Shot op, Frank,’ zei meneer Fred.

‘Damn it.’ Art zat in een nieuwe file. Maar de tijd van lijdzaamheid was voorbij. Meneer Fred duwde z’n portier open met een besliste blik en stapte uit.

‘We must organoize the people,’ zei hij tegen zichzelf. Hij stapte snel en wilskrachtig richting Old Glass Dick. Iedereen stapte uit. Ze konden hem met moeite volgen.

 

 

 

 

 

188.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s